Archives for posts with tag: kinderboeken

Selma Noort met leerling Aliyana van El Kadishia op het toneelGisteren was de bekendmaking van de Griffels en Vlag-en-Wimpels bij Roest, in Amsterdam. Het CPNB vertoonde een powerpoint van alle kinderboeken-hoogtepunten van het jaar en bedankte iedereen die werkzaam was in het vak. Ik vond het een blij en positief filmpje om te zien. Maar ik miste een groot hoogtepunt van het jaar – het feest ter afsluiting van het vierde Schoolschrijverseizoen in de Kleine Komedie. Het publiek daar vond ik niet terug in de CPNB powerpoint want als er in de Kleine Komedie tien blonde koppies tussen zaten was dat het wel. Maar er waren daar auteurs die een grote inspanning hadden geleverd, en veel vrolijke staartjes, vlechtjes, voetballertjes, hoofddoekjes, branies, giecheltjes, dromers en opscheppertjes. En ze lazen allemaal, CPNB, kinderboeken! Want de schoolschrijver was geweest.

Afgelopen zomer schreef ik een boek voor beginnende lezers over een kind zoals ik die als Schoolschrijver had leren kennen. Een klein meisje met een hoofddoekje om. Een Marokkaans meisje. Ze is niet, zoals in veel kinderboeken nu, een bijpersoon. Ze doet niet een beetje mee in de kantlijn. Ze is geen onderdeel van een groepje uit een klas. Ze wordt er niet aan de haren bijgesleept. Nee, dit meisje is de hoofdpersoon. Ze spreekt rechtuit tegen alle kinderen in Nederland. En haar naam is moeilijk; nu eens geen Jasmine (of jongen: Mo). Ze heet Ouahiba. (Wèhiebè).

Ik ben een meisje.
Jij kent mij niet.
Weet je waarom niet?
Je leest mij niet.
Ik heb geen niveau.
Geen AVI-niveau.
Bas, Pien en Jip wel.
Ik wil ook meedoen.
Maar het mag niet.

Ouahiba moet met haar mama naar de bibliotheek van de juf, want dat is goed voor haar taal. Op school heeft Ouahiba een boek over een meisje dat Maan heet…

Ik zoek tussen de boeken.
Er zijn AVI-boeken.
Maar ook gewone boeken.
Boeken voor kinderen die zonder AVI durven.
Ik pak zo’n boek.
Het gaat over een meisje.
Ha-ha, het meisje heet Sterre!
Nu heb ik op school een boek over Maan.
En hier een boek over Sterre.
Zulke meisjes bestaan.
Niet bij mij in de straat.
Maar ze bestaan.
Want ze staan in boeken.

Ik denk iets moeilijks.
Ik sta daar stil met dat boek.
Ik hoor en ik zie niks meer.
Dit is wat ik denk:
Maan en Sterre staan in een boek.
Dus ik, Ouahiba, weet dat ze bestaan.
Maar ik, Ouahiba, sta nooit in een boek.
Hoe weten Maan en Sterre nu dat IK besta?
En al die AVI-kinderen:
Bas, Mo en Jip.
Wendie, Pien en Els.
Daarom schrijf ik dit op in dit boek:
Ik, Ouahiba, besta.
Niet bij jou in de straat misschien.
Maar ergens anders.
Ik, Ouahiba, besta.

De kinderen van groep vijf van de Islamitische Basisschool El Kadisia hebben het verhaal van Ouahiba voorgelezen van het digibord voor de juf en voor mij. Ze waren ernstig en gegrepen, bijna betoverd. En ik moest vechten tegen mijn tranen. Ouahiba leert in dit boekje haar moeder lezen.

‘Wie van jullie kent iemand die niet kan lezen?’ Meer dan de helft van de kinderen kende zo iemand, of zelfs meerdere mensen. Als de kinderen een verhaal schreven, schreven ze een verhaal over een jongetje of meisje dat Bas heet, of Pien, of Wendie. Maar nooit over een Ouahiba en helemaal nooit konden ze bedenken dat iemand zoals zijzelf, klein en in dat lastige Nederlands, op zou staan en zou zeggen: IK BESTA en ik wil ook meedoen! Ik wil ook een held zijn, en ik wil mezelf terug zien in illustraties, met hoofddoekje en al.

Ik heb hard geprobeerd om een sponsor te vinden om dit boekje uitgegeven te krijgen, maar ik loop tegen dichte deuren aan. Ik ben er ook niet zo goed in en ik heb er geen tijd voor. Ik ben aan het voorlezen, aan het vertellen, aan het praten met kinderen zoals Ouahiba.

Maar mocht iemand nou zo iemand kennen die een excessief dure handtas in de PC Hooftstraat wil gaan kopen of iets dergelijks, misschien wel om opgemerkt, of bewonderd te worden – stuur die persoon dan naar mij. Loop met de boekjes van Ouahiba in een plastic tas van de ETOS een school binnen en er zal een gejuich op gaan, ogen zullen glimmen, handjes zullen je aanraken en kinderstemmen je bedanken.

Is er iemand die Ouahiba haar stem kan en wil geven?

En volgend jaar graag het afsluitingsfeest van De Schoolschrijver in de powerpoint, CPNB.

 

Advertenties

LangeraarBoekhandel Haasbeek Herenhof uit Alphen aan den Rijn en ik hebben elkaar vandaag geadopteerd. Al vaker organiseerde deze mooie kantoor/boekhandel activiteiten waar ik voor gevraagd werd. Vanmorgen was ik – nog in verband met de Nationale Voorleesdagen – met deze boekhandel en verschillende vertegenwoordigers van de plaatselijke krantjes op een razend enthousiaste basisschool, basisschool Aeresteijn in Langeraar. Daar heb ik voorgelezen aan en gezongen met drie grote groepen, en daarna, tot mijn niet geringe verbazing, was ik ruim drie kwartier aan de lopende band bezig met signeren en had de boekhandel een pracht verkoop. In deze moeilijke tijd voor boekhandel en (kinderboeken)schrijvers lag de volgende stap eigenlijk gewoon voor de hand – ik stelde voor dat ik de boekhandel zou adopteren door me extra voor hen in te zetten door middel van deelname aan hun activiteiten, signeren en/of voorlezen. De boekhandel op haar beurt, wilde mij ook wel adopteren, mijn boeken goed in voorraad nemen en die activiteiten organiseren.

Proost dus! Op een fijne samenwerking in de toekomst, boekhandel Haasbeek Herenhof!

En basisschool Aeresteijn – tot ziens!

ZENUWACHTIG VOOR JE BOEKENBEURT? WELNEE, JOH. RUSTIG AAN!

Beste kinderen: zoek een boek uit dat je leuk vindt (in de boekwinkel of in de bibliotheek), en vertel daarover aan de andere kinderen uit je klas. Kies een origineel boek, liefst een boek dat nog niet veel kinderen hebben gelezen. Breng je enthousiasme over op je klas. En vertel ook wat je er zo leuk aan vindt. Dus niet alleen maar: ‘Dit is een leuk boek.’ Maar vertel bijvoorbeeld dat je die boef in het boek zo leuk vindt omdat hij heel slim is (en geef dan een voorbeeld van hoe slim hij is). Of dat het verhaal zich ’s nachts afspeelt, dus extra spannend is. Of omdat het verhaal echt gebeurd is. Of juist omdat het fantasie is. Of omdat het grappig of mooi of ontroerend is. Of omdat er honden in voorkomen en jij veel van honden houdt. Zoiets.

Snap je de titel van het boek? Vertel aan je klas waarom jij denkt dat het boek zijn titel heeft. Wie heeft de tekening voorop gemaakt? (Die naam vind je meestal binnen in het boek). Wat vind je van die tekening? Past die goed bij het boek? Of is hij veel spannender of saaier dan het boek? Klopt wat er op de achterkant van het boek staat geschreven met wat er IN het boek staat? Waarom koos jij dit boek voor je boekbespreking? Wie is de uitgever van het boek? (Schrijvers knutselen hun boeken dus niet thuis. Zoiets moois komt niet uit hun printer. Schrijvers verkopen hun verhalen aan een uitgever, en die zorgt ervoor dat er van hun verhaal een echt boek wordt gemaakt.) Lees een stukje voor dat jij heel spannend of grappig of mooi vindt. Oefen het voorlezen thuis. En denk daarbij aan:

Goed voorlezen doe je rustig, met punten en komma’s. Zo nu en dan kijk je de klas in. Houd je vinger bij waar je voorleest, dan vindt je meteen weer terug waar je bent gebleven. Laat vraagtekens en uitroeptekens horen! Lees spannend of grappig of mooi voor. En vooral: spreek duidelijk. SNEL voorlezen is niet GOED voorlezen. Als je heel snel leest, volgen je luisteraars het verhaal niet.

Oefen je boekenbeurt een keer voor je ouders of opa of oma. Vraag wat ze er leuk aan vinden en wat je nog zou kunnen verbeteren. Vraag of ze je goed konden verstaan. En ga dan rustig naar school met je boek. Het gaat helemaal goed komen!

Als je een boekbespreking houdt over een van mijn boeken, laat het me dan weten via mijn e-mail. Je vindt mijn e-mail adres en al veel antwoorden op vragen op mijn site: http://www.selmanoort.nl.Ik stuur je altijd een e-mail terug om je succes te wensen. Die e-mail kun je dan voorlezen bij je boekenbeurt. Laat de juf of meester dan weten dat je zo slim was om informatie over de schrijver (over mij) op te zoeken, en dat je zelfs zo superslim was dat je een e-mail hebt gestuurd en ontvangen.

DYSLEXIE: Als je dyslexie hebt kun je in de bibliotheek een boek zoeken in de kast die heet “makkelijk lezen plein”. Boeken voor kinderen met dyslexie zijn vaak extra spannend of grappig zodat die kinderen, ook al vinden ze lezen misschien niet zo leuk, toch verder willen lezen. Vraag maar eens naar mijn boeken “Help! De meester is een vreetzak!” of “Help! Ze jatten de dikke dame!” Op mijn site zie je onder ‘boekenlijst’ nog meer boeken die ik speciaal voor kinderen met dyslexie heb geschreven. Lezen is misschien een beetje lastig, maar vertellen kun je zeker goed! En dat is het belangrijkst voor je boekenbeurt!

Doe je best, meer kun je niet doen. Een boekenbeurt is leuk!

Succes hoor! Daaaag!

Selma Noort

Miep Diekmann ontmoette ik in 1979 op de school waar ik stage liep. Ik mocht haar ‘een verhaal’ toesturen. Dat deed ik en dat was meteen mijn eerste boek.

Miep vroeg mij bij haar thuis te komen zodat ze me kon helpen het verhaal netjes als een manuscript te typen. Ik reisde voor het eerst alleen met de trein en betrad een voor mij totaal onbekende wereld toen ik bij haar over de drempel stapte en ze me vroeg of ik ‘een sherry’ wilde. Giechelen ging niet, daar in mijn eentje met niemand die begreep hoe raar dat was. Ik voelde me vreselijk onwerelds en verloren in een omgeving waar ik geen grip op had. Ik sprak dezelfde taal als Miep, zo leek het, maar ik ‘verstond’ haar niet.

Toch zijn veel van Mieps opvattingen, die altijd sterk en zeer uitgesproken waren, me bij gebleven en na verloop van tijd kreeg ik een referentiekader waarin ik ze kon plaatsen.  Soms moet ik weer denken aan wat zij me indertijd probeerde bij te brengen. Miep had in 1978 de Gouden Griffel gekregen voor het boekje Wielewielestap dat zij had geschreven voor peuters en kleuters, met illustraties van The Tjong King. Ik hoor het haar nog gepassioneerd zeggen – hoe bijzonder het was dat een boekje voor zulke jonge kinderen de Gouden Griffel kreeg, want: “Kind, ze bekronen bijna altijd boeken die ze zelf nog wel leuk vinden; boeken voor oudere kinderen. Zich inleven in een peuter of kleuter doen ze niet als ze een boek beoordelen. En dat zouden ze wel moeten doen. Kijk nou eens naar het smoeltje van zo’n kind als je voorleest. Komt het over wat er in het boek staat? Kan die kleine er iets mee? Moet die uk erover nadenken en gaat ie erover aan het praten? Zo moet je naar een boek voor peuters of kleuters kijken. Maar die recensenten en al die lui die meningen vormen over boeken, denken vanuit hun eigen leeftijd en ervaring. Nou ja, meid, je zal ’t allemaal nog wel meemaken.”

Onlangs kwam mijn boek “Stiefkind”, een jeugdroman, uit. En het viel me meteen op dat mensen dan pas vinden dat ik ‘echt’ schrijf. Een ‘echt’ boek. En dát zit mij nou ‘echt’ niet lekker. Want mijn boeken voor kleuters, daar ben ik net zo trots op. Vier grote voorleesboeken die er prachtig uitzien en veel (groot)ouders, leerkrachten en kinderen stof tot nadenken geven. Ik heb veel contact met mijn lezers en ze vertellen mij dat de boeken deel uitmaken van de dagelijkse wereld van hun kinderen en henzelf, en dat de kinderen zichzelf en situaties herkennen in de boeken en daarover praten. (Net zoals Roel, mama, die deed dat ook, hè!)

Dat is mooi. Dat is heel mooi. En het is raar dat mensen uit het vak doen alsof schrijven voor (heel) jonge kinderen niets voorstelt. Ik ben vandaag begonnen met een nieuw ‘groot’ voorleesboek over Roel en Noor. Het vijfde. En Tineke van der Stelt gaat er weer haar mooie sfeervolle tekeningen in maken. En voor de mensen die vinden dat dit schrijven niet veel voorstelt, stel ik dit voor: Neem een kind op schoot, lees het kind voor uit een van deze boeken. Laat het kind bekend raken met Roel en Noor. Zie wat de verhaaltjes voor dit kind betekenen. Observeer het proces van het omzetten van taal naar (ver)beeld(ing) op het geconcentreerde snoetje. En oordeel dan pas. Want ik schrijf niet voor jullie. Maar voor jullie kinderen, en voor de kinderen die jullie eens waren – en nu achteloos verloochenen.

Hoe is het mogelijk dat in een maatschappij waarin wij beweren onze kinderen toch serieus te nemen, dat mensen die met kinderen werken, leerkrachten en kinderboekenschrijvers bijvoorbeeld, weggezet worden als infantiel en minderwaardig aan hen die met en/of voor volwassenen werken?

scan_reghthuys-smallDeze week heb ik de loodzware sleutel van middeleeuws formaat van ’t Reghthuys gekregen en mag ik ’s morgens de deur openen en de vlag buiten hangen, iets dat ik met veel plezier doe. De Culturele Vereniging ’t Reghthuys is gehuisvest in het Reghthuys, Reghthuysplein 1, in Nieuwkoop, een gebouw uit 1628. In verband met ‘Zomerkunst’ exposeren kunstenaars van uiteenlopende disciplines hun werk in dit mooie, sfeervolle gebouw. Bijna al mijn schilderijen hangen er want er is ruimte genoeg. Nu en dan werp ik even een blik in het cachot in de kelder, en verheug me over het feit dat ik er vandaag de dag in elk geval niet meer ingestopt zou kunnen worden, zo laag is die ruimte. De muren hangen vol met mijn werk en in de ruimte exposeert Marion Westerman haar papierpulp sculpturen die je werkelijk van alle kanten wilt bekijken en die zo kunstig geschilderd zijn dat je echt even denkt dat je bijvoorbeeld met geroest metaal te doen hebt. Vandaag is er braderie voor de deur, of dat gunstig is of juist niet ga ik wel merken. Eigenlijk gaat ’t Reghthuys pas om 12.00 uur open, maar vanwege die braderie gooi ik de boel nu om 10.00 uur open en ga ik er vast lekker rustig zitten. Ik heb een boek van mijn collega Marco Kunst gekocht en ben daar gisteren in begonnen. Heerlijk lezen en zo nu en dan even praten met mensen die binnenkomen. De reacties zijn overigens tot nu toe verrast en verheugd over alle kleuren en de vrolijkheid van de tentoonstelling.

Marion Westerman en ik exposeren nog in ’t Reghthuys t/m a.s. zondag, 28 juli. We zijn iedere dag aanwezig. Er staat ook een boekentafel met kinder/jeugdboeken die je natuurlijk gesigneerd kunt krijgen als je dat wilt, en Marion en ik verkopen kaarten van ons werk.

IMG_0742

Toen ik vandaag een basisschool bezocht maakte ik iets mee dat ik nooit eerder bij de hand had. Ik kwam in een overigens goed voorbereide (veel van mijn boeken in de klas en er was veel gelezen) en leuke groep vijf vertellen over mijn boeken en mijn werk als kinderboekenschrijver. Twee jongens zaten een computerspel te doen in de hoek van de klas, iets met een auto op een snelweg. Ze fluisterden. Ik nam aan dat het leerlingen van een andere groep waren die niet mee konden doen met gym of zoiets. Toen ik ernaar informeerde zei de leerkracht: “Nee, ze zitten in deze klas, maar ze hadden geen zin om te luisteren.”
Ik kon mijn oren niet geloven! Geen zin om te luisteren naar een kinderboekenschrijver die iets over lezen en spannende kinderboeken komt vertellen? Hoe blasé kun je zijn (8/9 jaar)? Je speelt liever een computerspelletje? En dat mag dan van de leerkracht?

NOU, VAN MIJ NIET!
“Kom daarachter vandaan!” sommeerde ik de twee jongens verontwaardigd. “Zijn jullie nou helemáál! Zitten! En luisteren! Wie is hier in de klas nou eigenlijk de baas, zeg?!” Ik wilde de leerkracht niet met alle kinderen erbij vertellen hoe ik erover dacht en dat vergde flink wat zelfbeheersing, maar het lukte na enig binnensmonds gesputter en wat gerommel tussen mijn boeken, met gebogen hoofd zodat ik even niemand aan hoefde kijken. De jongens gingen gedwee zitten en deden verder goed mee. Maar ik was werkelijk ontzet. Wat krijgen we nou zeg!

Afgelopen week reisde ik weer eens naar een PABO om er vier colleges te geven aan eerste- en tweedejaars studenten. Ik zou ook een boekentafel verzorgen. Ik verheugde me erop, want aankomend basisschool leerkrachten enthousiast krijgen voor voorlezen, lezen en het gebruik van boeken en verhalen op school is iets waar ik zeer warm voor loop. Ik had mijn colleges dan ook extra voorbereid en had dit keer een mooie powerpoint in elkaar gezet. Omdat het weer ijzel/sneeuwachtig was, besloot ik de dag tevoren al naar de plaats van bestemming te rijden en daar in een hotel te overnachten. Zo kwam het dat ik in mijn eentje in het prachtig versierde (kerst) restaurant van het hotel besloot te gaan eten, met een wijntje erbij. Ik kon mooi alle gesprekken om me heen afluisteren en genoot van het feit dat ik eens zelf niet het eten hoefde te koken, opdienen en opruimen. De volgende ochtend vond ik in de vrieskou mijn weg naar de ingang voor leveranciers van de PABO en werd na enig kloppen en bellen binnengelaten met mijn dozen met boeken.

De leerkrachten die me ontvingen waren heel aardig en gastvrij en hielpen me meteen met het opzetten van de boekentafel. Het auditorium was prachtig en een gigantisch witte muur toonde mijn powerpoint op zijn best. Vol goede moed stond ik dan ook klaar toen de eerstejaars studenten binnen kwamen… met laptops en mobieltjes. ‘Eh… hebben jullie een beleid tav die mobieltjes?’ vroeg ik de leerkracht die mij zou inleiden. Nee, geen beleid. Okee, ik nam aan dat de studenten van een leeftijd waren dat ze wel begrepen tot hoever ze konden gaan met die mobieltjes. Dat wisten de eerstejaars bijna allemaal en deze colleges verliepen dan ook geanimeerd. De studenten waren enthousiast en kwamen napraten aan de boekentafel. Na de lunch was het echter een ander verhaal met de tweedejaars. Er kwamen een paar studenten binnen die helemaal niet van plan waren te luisteren. Waarom ze sowieso binnen kwamen zitten is mij een raadsel. Van mij hadden ze best in de kantine mogen blijven. Voortdurend hielden ze elkaar grinnikend mobieltjes onder de neus en van het begin af aan luisterden ze niet en keken mijn kant niet eens uit. Waar keken ze naar? Youtube filmpjes? Ik raakte de draad van mijn verhaal een paar keer kwijt en sprak een paar studenten die echt niet van ophielden wisten, aan. ‘Dit leidt me enorm af. Zou je je mobiel even weg willen leggen?’ vroeg ik. Ze keken verbaasd en enigszins geïrriteerd, maar voldeden uiteindelijk toch aan mijn verzoek. Omdat ze toen wel moesten luisteren, werden ze zowaar toch nog gepakt door hetgeen ik stond te vertellen. Bij het vierde college begon ik wel moe te worden, en ook mijn stem raakte vermoeid. En mijn tolerantie. Dat gezeik met die mobieltjes. Grrrr! Die studenten waren wel niet leerplichtig maar het lijkt me niet meer dan FATSOENLIJK om die klotendingen in elk geval rustig te laten liggen en niet midden in mijn gezichtsveld ermee te zitten klieren. ‘Wat gedraag jij je strontvervelend!’ viel ik dan ook uit tegen een klier van een meid die zich werkelijk het hele college lang  misdroeg. ‘Ikke?’ vroeg ze vol onschuld met de bijbehorende uithaal. Ja, zo gaat dat. Ik denk niet dat zij boeken van mij zal gaan voorlezen als ze eenmaal juf is.

Enfin, ik overleefde het laatste college ook. En op weg naar huis, met de ondergaande zon blinkend in de autoruiten, vroeg ik me enigszins uit het veld geslagen af waarom er geen fatsoensafspraken gemaakt kunnen worden over het gebruik van de mobieltjes. (De “laptop-studenten” zaten overigens volop te typen en de powerpoint te bekijken en leken goed bij de les te zijn, en de meeste studenten gedroegen zich netjes en waren geboeid. Een paar studenten kwamen zelfs hun excuus aanbieden voor de anderen en zeiden zich te schamen voor het gedrag van die ‘daarboven zaten’.)

Als deze studenten straks leerkracht zijn, hebben ze dan hun mobieltjes voor zich liggen op hun tafel en kijken ze daar voortdurend op, boodschappen typend en linkjes open klikkend? ‘Even wachten, jongens, de juf/meester moet even kijken naar de foto’s van de kroeg van gisteren, het was daar zo lollig…’ Overigens was dit mobieltjesgedoe niet helemaal nieuw voor me. Tijdens het kinderboeken festival in Suriname zaten de leerkrachten van de kinderen, op enkele betrokken en gemotiveerde personen na, ook allemaal te sms-sen en keken niet op of om naar wat zich tussen de kinderen van hun klas en mij afspeelde.

En het is niet omdat ik niet boeiend kan vertellen. Wie dat durft te beweren, kan de boom in!

 

Onlangs ontving ik een verzoek van een uitgeverij om een voorleesboekje voor kleuters te schrijven voor een abonnementen serie. Ik ben bekend met deze boekjes en heb door de jaren al een hele stapel geschreven, voor bijna alle basisschool leeftijden. Fijne klussen, omdat het werk overzichtelijk is. Duidelijk wordt aangegeven wat er van me wordt verwacht en meestal word ik ook gevraagd het verhaal rond een bepaald thema te schrijven en/of rekening te houden met een specifieke doelgroep kinderen. Een voorleesboekje voor kleuters dus dit keer, thema kerst. Nu heb ik al veel kerstverhalen geschreven voor kleuters, dus ik wilde een andere invalshoek. Onmiddellijk schoot me iets te binnen, ik zou het kerstboekje schrijven vanuit een dier, ipv uit kleuters. Mijn keuze viel op muizen en die zag ik haarscherp voor me, met kleertjes aan, slapend in bedjes onder lappendekentjes, moeder muizen met schortjes voor en meisjes muizen met gestippelde jurkjes, heerlijk! Ik herinnerde me een kinderboekje vol muizen in broekjes en jurkjes, van lang geleden, toen ik zelf een kleuter was. Ik was er weg van en las en bekeek het telkens weer opnieuw. Er kwam een muizenmeisje in voor waarvan haar kopje niet met een lijn was getekend, maar de omtrek ervan werd aangegeven door heel kleine streep’haartjes’. Eigenlijk niet verwachtend dat het boekje nog in mijn bezit was, tilde ik een stapel boeken op en ja!! Daar lag het!! Het boekje uit mijn jeugd. Niet het mijne, met de ingekleurde plaatjes. Dat werd ooit weggegooid. Maar precies hetzelfde boekje van het jongere zusje van een vriendin. Het lag bij het vuilnis (waar ik altijd tussen rommel – dat is een familietrekje). Ik herkende het met vreugde en ontroering, en redde het en nu is het dus weer in mijn bezit. Het heet: “Sniffeltje Snorrepiet, de zingende muis” – een verhaal met tekeningen van Willy Schermelé. Uitgeverij G.B. van Goor Zonen’s – Den Haag – Batavia. Een auteur wordt niet vermeld.

Ik heb het boekje nu opnieuw zitten bekijken. Ik herinner me weinig van het verhaal, maar alles van de illustraties, tot de kleinste details. Muizen dus, met jurkjes en broekjes aan. Toch, als ik nu even snel stukjes  lees, ben ik bang dat het verhaal wel degelijk ook invloed op me heeft gehad. Het gaat vooral over dat meisjes hun plaats moeten weten en goede, propere huisvrouwtjes moeten worden. Oei! Meer dan ooit besef ik nu uit eigen ervaring hoe groot de invloed van kinderboeken is op mensenlevens!!

Het is wel tekenend, denk ik nu, dat ik me illustraties zo goed herinner van vroeger, maar de verhalen niet. Ik was dol op tekenen. Het was dan ook tweede keus, schrijver worden. Ik had namelijk al een pen en papier. Verf, doeken en een kunstacademie, of een illustratoren-opleiding, daar dacht ik niet eens over na, het behoorde niet tot de mogelijkheden. Dus probeerde ik maar in woorden af te schilderen wat ik in mijn gedachten ‘zag’.

Mijn eerste boek stuurde ik 33 jaar geleden naar Miep Diekmann. Ik was toen 18 jaar. Miep nodigde me uit om bij haar thuis te komen, zodat ze me kon leren hoe ik een manuscript in elkaar hoorde te zetten. Een van de eerste dingen die ze tegen me zei was: “Heb vooral niet de illusie dat je iets nieuws of origineels schrijft, alles is al gezegd, gedaan en geschreven. Alleen nog niet precies zoals jij het doet, dus schrijf op jouw manier, dan is het goed genoeg.”

Okee. Muizen met kleertjes aan dus. En kerstmis. Op mijn manier met een vleug nostalgie.

Wie kent het boekje ook nog van vroeger?

Er was een tijd dat ik niet gratis kwam signeren of voorlezen, behalve dan in of vlakbij mijn eigen woonplaats omdat dit vaak meer een soort ‘vriendendienst’ was. Het kost mij toch een dag(deel) en niemand werkt graag onbetaald, zeker niet als je er voor moet reizen. Dit was zoals het was en leek door iedereen geaccepteerd te worden. Boekhandels betaalden netjes via Stichting Schrijvers School Samenleving en natuurlijk wilde ik best weleens wat extra’s doen, maar het bleef een werkrelatie. Maar de tijden zijn veranderd. De boekhandels hebben het moeilijk en (sommige) schrijvers willen graag hun boeken meer voor het voetlicht krijgen. En wat doen mensen dan? Die zoeken elkaar op en proberen samen te werken. Vandaar dat ik dit jaar iets heb gedaan wat ik in de 30 jaar hiervoor nooit wilde: signeren op een markt die niet speciaal rond lezen of boeken is georganiseerd. Geheel vrijwillig. Omdat het om een erg leuke zaak gaat met aardige eigenaars, dicht bij huis, en omdat ik het weleens wilde proberen. Ik kon thuis zitten bij de kachel of dik aangekleed in een standje voor de Bruna. Begin deze maand ging ik naar het Sinterklaasfeest in het winkelcentrum. Erg leuk, vol kinderen, enthousiaste ouders. Sinterklaas speelt nog altijd een enorme rol bij jonge gezinnen, merkte ik aan alle reacties. En de mensen waren erg enthousiast over “Het grote voorleesboek van Sinterklaas”. Opbrengst: Zeventien boeken verkocht, twee uurtjes lol en Sinterklaaspret, enthousiaste kinderen, voorlezen in de kou in de stoel van de Sint en een leuke cadeaubon.

Afgelopen zaterdag waagde ik me daarom bij dezelfde boekhandel in Alphen aan den Rijn (Bruna, wd De Atlas) aan de kerstmarkt. Mensen komen voor kerstspullen en niet voor boeken, maar er waren er toch genoeg die het leuk vonden om “Het grote voorleesboek van de winter” te bekijken. Het was leuk deel uit te maken van de bedrijvigheid. Opbrengst: 11 boeken verkocht, leuke gesprekken gehad met belangstellenden, veel vragen van kinderen beantwoord, een pot kerstjam gekregen van de stalhouder ad overkant, en een fles gluhwein. Een cadeaubon wilde ik niet meer, want dan zou de boekhandel verlies lijden op mijn komst (Hoe erg is dat! Niet aan denken… niet aan denken!)

Er was een tijd dat ik dit vreselijk zou hebben gevonden. Leuren met mijn boeken alsof ik verse vis sta te verkopen. Alsof ik mezelf te koop aanbied. Mijn denkwereld, mijn creatie, mijn liefde voor het vak en de liefde die ik in de verhalen heb gestopt. Ik wil zo niet meer denken. Ik probeer zo niet meer te denken. Het was leuk, daar denk ik aan. Ik heb het geprobeerd, als een beginneling met een debuut dat niet verder is gekomen dan het plaatselijk krantje. Maar dat wil ik ook niet zo voelen.

Zonet, terwijl ik begon met koken, werd ik gebeld door een man die verpakkingen wilde verkopen voor boeken. Had hij me te pakken via de KvK of via LinkedIn? Ik weet het niet. Hij was aardig, vaderlijk, charmant en uitermate beleefd en absoluut geen geroutineerde salesbeller. En, dacht ik, zijn zaak had het ook moeilijk, anders zou hij niet op deze manier mensen opbellen. Ik heb hem niet afgesnauwd en zelfs nog even met hem gesproken, terwijl ik tot voor kort geen greintje geduld had met mensen die het wagen me te bellen om iets te verkopen.

Ik ben benieuwd hoe mensen hun grenzen zullen verleggen om hun spullen aan de man te brengen als de tijden nog moeilijker gaan worden. Beginnen we in deze zakelijke maatschappij elkaar toch weer op straat te ontmoeten, handenwrijvend boven een vuurkorf, rode neuzen, flacon gaat rond… o nee, dat is Dickens.


Omdat we in turbulente tijden verkeren waarin alles bliksemsnel verandert en we achter de feiten aanhollen, is mijn plaats als schrijver in deze maatschappij ook onzeker geworden. Ik schrijf nu 32 jaar en ‘schrijver zijn’ is deel van mijn identiteit geworden. Schrijven is niet iets wat ik doe, schrijver zijn is iets wat ik ben. De laatste tijd is niet alleen mijn vermogen tot kost winnen aan het wankelen gebracht, maar ben ik zelf, als persoon aan het wankelen gebracht. Ik heb meermalen dof en verslagen aan de keukentafel uit het raam zitten kijken naar de school naast ons huis. Ik kijk recht de kleuterklassen binnen en zie de juf bezig met de kinderen. Ooit, lang lang geleden zou ik kleuterleidster worden. En als ik geen schrijver was geworden, was ik daar zelf bezig geweest tussen de kinderen. Zou ik het nog kunnen? Zou ik gelukkiger zijn als ik de hele kinderboekenwereld achter me liet en me lijfelijk weer tussen de kinderen begaf? Zingen, troosten, verzorgen, begeleiden, voorlezen, pret hebben met de kinderen. En dan zou ik een prentenboek in mijn handen krijgen van die of die… En ik zou weten wie die of die was en alles weer voor me zien, iedereen uit het kinderboekenwereldje. En ik zou me verscheurd voelen, het zou fysiek pijn doen er geen deel meer van uit te maken. En het onderwijs is ook nog eens zo veranderd, kleuters worden nu heel anders benaderd dan toen ik mijn diploma kreeg in 1979. Ik zou in elk geval eerst stage moeten lopen. En fysiek? Een kleuterleidster moet kunnen bukken en tillen en ik ben al blij als het me ’s morgens is gelukt mijn sokken aan te trekken…

Afgelopen kinderboekenweek overzag ik ineens de hele situatie waarin ik als kinderboekenschrijver (en vele van mijn collega’s) ben komen te verkeren. Vlak bij het Zaantheater, waar ik mijn eerste optreden van de kinderboekenweek zou hebben, verzwikte ik akelig mijn enkel en kwam ten val. Mijn mand met boeken en mijn handtas daarin viel ook. Mijn handtas schoof onder een geparkeerde auto. Mijn boeken lagen overal om me heen. Ik kon niet overeind komen, keek naar mijn enkel die eruit zag alsof hij gebroken was en kon jammerend maar één dingen denken: ‘O god, nee, niet op de eerste dag van de kinderboekenweek. Ik kan het geld niet missen, ik moet nog 10 dagen op pad. Nee toch! Waarom nou?’ Er was geen hond in de buurt die me daar achter de auto’s kon zien liggen. Uiteindelijk lukte het me om op handen en knieën overeind te komen en naar mijn handtas te staren, die drie meter buiten mijn bereik lag. Als er nu nog iemand met mijn tas vandoor gaat… dacht ik. Maar dat gebeurde niet. Ik werd overeind geholpen door een lieve jonge vrouw en door de zorgzame mensen van het Zaantheater naar het ziekenhuis gebracht.

Het is denk ik die val geweest die me heeft laten zien hoe mijn leven als kinderboekenschrijver momenteel voor me aanvoelt. Mijn boeken op straat en mijn persoonlijke veiligheid (handtas) buiten bereik en daarbij een dreigend onvermogen om geld te verdienen.

Nou ja. Ik ben toen ook overeind gekomen en doorgelopen, zij het hinkend. Moet lukken. Blik vooruit. Rug recht. Kin omhoog. En beter je best doen!

 

 

%d bloggers liken dit: