Archives for posts with tag: boek

IMG_1910WATERSNOODRAMP 1953, KRUININGEN

De laatste weken ben ik heel intensief bezig geweest met het plaatsje Kruiningen, in Zeeland, en met de watersnoodramp van 1953. Ik heb erover gelezen, met mensen over gesproken, over gegoogeld, en ben naar het watersnoodmuseum geweest. Ik heb foto’s bekeken, opstellen van kinderen uit 1953 gelezen en kende zelfs straatnamen en namen van gebouwen daar. Mijn vriendin Lia Soeting woonde vroeger in Kruiningen en maakte als 8-jarig meisje de watersnoodramp mee. Door de verhalen die ze me erover vertelde besloot ik een boek* te schrijven over de watersnood gezien door de ogen van een 8-jarig meisje. Wekenlang zag ik al schrijvend voor mijn geestesoog eb en vloed in het overstroomde dorp, de mensen, de dieren, de duisternis. Ik hoorde hoe koud het was, hoe de geluiden klonken, hoe de weinige bootjes die eerst kwamen vastliepen op obstakels in de straten. Het vreselijke geloei van de koeien die verdronken, en het door merg en been gaand geroep van mensen die elkaar kwijt waren geraakt, en van mensen in doodsangst en doodsnood. Ik las de namen van hen die omgekomen waren keer op keer, en bekeek de foto’s zo intens dat de beelden op mijn netvlies gegrift staan.

Gisteren kwam ik terug van een tweedaags bezoek aan scholen in Zeeuws-Vlaanderen. In een groep 6 las ik voor uit mijn manuscript. De reactie van de kinderen en de leerkracht was prachtig. Ze waren doodstil en ik zag in hun ogen dat zij in hun verbeelding zagen wat ik met woorden probeerde te schilderen: Kruiningen, 31 januari 1953, en een klein meisje van 8 jaar met haar zusje en broertje en haar papa en mama.

Op weg naar huis reed ik Kruiningen binnen. Ik was er niet eerder geweest. Meteen herkende ik met een schok vanaf de Rijksweg het uitzicht op het dorp. Hier, precies hier, komt Liesje uit mijn boek eindelijk weer op het droge, zoals ik zag op foto’s uit 1953. En nu stond stond ik daar! Ik reed naar het dorpscentrum en stapte daar uit mijn auto. Het waaide hard en het begon te regenen en dat leek alleen maar zo te horen voor dit bezoek. Daar stond De Korenbeurs uit mijn boek, en daar Avondlicht, het bejaardenhuis. Daar de kerk. En hier was de markt. Dit stuk van Kruiningen, daar speelt de tweede helft van mijn boek zich af.

Ik ging de Korenbeurs in, een soort bruin café nu, en nam plaats aan de bar. Ik voelde me Carmiggelt. Ik zit dus echt nóóit aan een bar en kom al helemaal nooit in café’s. Maar nu dus wel. Ik bestelde weliswaar geen pilsje, maar toch stoer een tomatensoep. De dame achter de tap kon me niet veel informatie verstrekken. Ze was geen geboren en getogen Kruiningse. Maar toen de soep op was wist ik waar tegenwoordig het bejaardenhuis was en liep ik daarheen.

Daarbinnen praatte ik met een mevrouw die de watersnood in Kruiningen als 16-jarig meisje meemaakte. Op haar gezicht zag ik alle emoties die ik in mijn boek al had geprobeerd te beschrijven. Ik vond het moeilijk om haar niet te omhelzen en te troosten. Het voelde gespleten om zo met 1953 bezig te zijn terwijl alles al zo lang geleden is. Maar de herinneringen zijn nog springlevend, en het is nog niet lang geleden dat de mensen in Kruiningen eindelijk over hun ervaringen uit die tijd konden en begonnen te praten. Helemaal bijzonder was het dat deze lieve mevrouw vroeger gymles had van de vader van Liesje, mijn hoofdpersoon, en dat zij uitriep: “O, dat was ’n heel lieve man!” Want zo heb ik hem ook geschreven.

Ik mocht ook binnen kijken in het voormalig bejaardenhuis Avondlicht, waar de tweede helft van mijn boek zich afspeelt. Het was raar om daarna zo alleen en in een soort vacuüm van tijd in de regen en de wind daar door dat stille dorp te lopen. Al die weken had ik deze straten voor me gezien, de taal gehoord, de storm, de regen, het water. En nu liep ik er. Het was alsof ik door mijn eigen boek doolde, zoals in ‘Hart van inkt”, het boek van Cornelia Funke.

Misschien is dat wat schrijvers doen, een persoonsverwisseling ondergaan. Het voelde alsof ik terugkwam waar ik als achtjarig meisje was geweest.

Want ik was nooit eerder echt in Kruiningen, en in 1953 was ik nog niet geboren.

* Het boek: “De zee kwam door de brievenbus” verschijnt zomer 2015 bij uitgeverij Leopold, met illustraties van de Zeeuwse illustrator Martijn van der Linden. In de kinderboekenweek lees ik woensdagmiddag 8 oktober voor uit het manuscript bij boekhandel De Koperen Tuin, in Goes.

 

 

 

Advertenties

Selma Noort met leerling Aliyana van El Kadishia op het toneelGisteren was de bekendmaking van de Griffels en Vlag-en-Wimpels bij Roest, in Amsterdam. Het CPNB vertoonde een powerpoint van alle kinderboeken-hoogtepunten van het jaar en bedankte iedereen die werkzaam was in het vak. Ik vond het een blij en positief filmpje om te zien. Maar ik miste een groot hoogtepunt van het jaar – het feest ter afsluiting van het vierde Schoolschrijverseizoen in de Kleine Komedie. Het publiek daar vond ik niet terug in de CPNB powerpoint want als er in de Kleine Komedie tien blonde koppies tussen zaten was dat het wel. Maar er waren daar auteurs die een grote inspanning hadden geleverd, en veel vrolijke staartjes, vlechtjes, voetballertjes, hoofddoekjes, branies, giecheltjes, dromers en opscheppertjes. En ze lazen allemaal, CPNB, kinderboeken! Want de schoolschrijver was geweest.

Afgelopen zomer schreef ik een boek voor beginnende lezers over een kind zoals ik die als Schoolschrijver had leren kennen. Een klein meisje met een hoofddoekje om. Een Marokkaans meisje. Ze is niet, zoals in veel kinderboeken nu, een bijpersoon. Ze doet niet een beetje mee in de kantlijn. Ze is geen onderdeel van een groepje uit een klas. Ze wordt er niet aan de haren bijgesleept. Nee, dit meisje is de hoofdpersoon. Ze spreekt rechtuit tegen alle kinderen in Nederland. En haar naam is moeilijk; nu eens geen Jasmine (of jongen: Mo). Ze heet Ouahiba. (Wèhiebè).

Ik ben een meisje.
Jij kent mij niet.
Weet je waarom niet?
Je leest mij niet.
Ik heb geen niveau.
Geen AVI-niveau.
Bas, Pien en Jip wel.
Ik wil ook meedoen.
Maar het mag niet.

Ouahiba moet met haar mama naar de bibliotheek van de juf, want dat is goed voor haar taal. Op school heeft Ouahiba een boek over een meisje dat Maan heet…

Ik zoek tussen de boeken.
Er zijn AVI-boeken.
Maar ook gewone boeken.
Boeken voor kinderen die zonder AVI durven.
Ik pak zo’n boek.
Het gaat over een meisje.
Ha-ha, het meisje heet Sterre!
Nu heb ik op school een boek over Maan.
En hier een boek over Sterre.
Zulke meisjes bestaan.
Niet bij mij in de straat.
Maar ze bestaan.
Want ze staan in boeken.

Ik denk iets moeilijks.
Ik sta daar stil met dat boek.
Ik hoor en ik zie niks meer.
Dit is wat ik denk:
Maan en Sterre staan in een boek.
Dus ik, Ouahiba, weet dat ze bestaan.
Maar ik, Ouahiba, sta nooit in een boek.
Hoe weten Maan en Sterre nu dat IK besta?
En al die AVI-kinderen:
Bas, Mo en Jip.
Wendie, Pien en Els.
Daarom schrijf ik dit op in dit boek:
Ik, Ouahiba, besta.
Niet bij jou in de straat misschien.
Maar ergens anders.
Ik, Ouahiba, besta.

De kinderen van groep vijf van de Islamitische Basisschool El Kadisia hebben het verhaal van Ouahiba voorgelezen van het digibord voor de juf en voor mij. Ze waren ernstig en gegrepen, bijna betoverd. En ik moest vechten tegen mijn tranen. Ouahiba leert in dit boekje haar moeder lezen.

‘Wie van jullie kent iemand die niet kan lezen?’ Meer dan de helft van de kinderen kende zo iemand, of zelfs meerdere mensen. Als de kinderen een verhaal schreven, schreven ze een verhaal over een jongetje of meisje dat Bas heet, of Pien, of Wendie. Maar nooit over een Ouahiba en helemaal nooit konden ze bedenken dat iemand zoals zijzelf, klein en in dat lastige Nederlands, op zou staan en zou zeggen: IK BESTA en ik wil ook meedoen! Ik wil ook een held zijn, en ik wil mezelf terug zien in illustraties, met hoofddoekje en al.

Ik heb hard geprobeerd om een sponsor te vinden om dit boekje uitgegeven te krijgen, maar ik loop tegen dichte deuren aan. Ik ben er ook niet zo goed in en ik heb er geen tijd voor. Ik ben aan het voorlezen, aan het vertellen, aan het praten met kinderen zoals Ouahiba.

Maar mocht iemand nou zo iemand kennen die een excessief dure handtas in de PC Hooftstraat wil gaan kopen of iets dergelijks, misschien wel om opgemerkt, of bewonderd te worden – stuur die persoon dan naar mij. Loop met de boekjes van Ouahiba in een plastic tas van de ETOS een school binnen en er zal een gejuich op gaan, ogen zullen glimmen, handjes zullen je aanraken en kinderstemmen je bedanken.

Is er iemand die Ouahiba haar stem kan en wil geven?

En volgend jaar graag het afsluitingsfeest van De Schoolschrijver in de powerpoint, CPNB.

 

Kleuterleidsters, juffen en ik zijn het er over eens: er zijn te weinig liedjes over “de winter”. Bij het schrijven van “Het grote voorleesboek van de winter” (uitg. Leopold, 4 t/m 8 jaar) ondervond ik dat weer eens. Tja, en wat doe je dan? Dan schrijf je er zelf een, met lekker veel actie/gebaren erbij. Omdat ik het niet kan gaan voorzingen op alle scholen, heb ik het op de wijs van een bekend liedje (Herfst, herfst, wat heb je te koop…) geschreven.

Het is dikke pret als ik op een basisschool kom, om na het voorlezen en vertellen dan dit lied met de kinderen te zingen. Compleet met alles erop en eraan. Als je wilt zien hoe ik dat doe, nodig me dan uit om op je school of in de bieb te komen voorlezen, en …zingen. De hoge C haal ik niet, maar de kinderen hebben gegarandeerd lol! En als ik weer wegga, kunnen alle meesters en juffen het lied verder zingen met de kinderen. Elke winter weer…

Omdat het eerste couplet (onder de muzieknoten) een beetje moeilijk te lezen is, staat de tekst daarvan nog eens hieronder. Veel plezier!

winterlied

Winter, winter, wat heb je te koop? Uit: “Het grote voorleesboek van de winter”, Selma Noort, Uitgeverij Leopold, Illustraties: Tineke van der Stelt.

1e couplet:

Winter, winter, wat heb je te koop?
Duizend dikke sneeuwvlokken op een hoop.
Krakende vorst. Boerenkool met worst.
Warme chocolademelk voor de dorst!

stief hamacaDERTIG JAAR VERDER…

Afgelopen zaterdag kreeg ik de tien auteursexemplaren van mijn nieuwe (jeugd)roman “Stiefkind” overhandigd. ‘s  Middags ging ik naar de Middag van het Kinderboek in de Openbare Bibliotheek van Amsterdam en het was fijn om op de vraag van collega’s of ‘ik nog wel eens iets schreef’, een exemplaar ervan te kunnen laten zien. Eén opmerking raakte me onplezierig. Een collega zei: ‘Zo, dus je bent nu na lange tijd weer begonnen met literatuur.’ ‘Hoezo?’ vroeg ik. ‘Ik ben daar nooit mee gestopt.’ ‘Nou ja, die voorleesboeken en zo…’ zei de collega. Ik baalde van die opmerking. De vier grote voorleesboeken die ik voor Leopold heb geschreven zijn voor kinderen van 4 t/m 7 jaar en ik denk dat ik hiermee een mooie serie boeken heb gemaakt, ook al gaan ze over thema’s als Sinterklaas, winter, en kinderboerderij. Tja, ik had “literatuur” kunnen schrijven voor 4-jarigen, maar geen uitgever zou het in dit tijdsgewricht nog uitgegeven hebben. Daar komt bij dat ik altijd bezig ben voorlezen thuis en op school te promoten. En die boeken zijn voor iedere ouder of leerkracht toegankelijk. En dat is heel belangrijk en mooi werk waar ik trots op ben.Eenmaal thuis keek ik naar de rij boeken die ik voor Leopold geschreven heb. De laatste boeken die het Nederlands Letterenfonds steunde met een werkbeurs waren o.a. mijn 8+ boek “Musje, mijn zusje” en mijn 11+ boek “Dat spel van jou en mij” dat zeer goed gerecenseerd werd in de landelijke pers. Hoezo schrijf ik geen literatuur meer?

Een andere collega in de OBA zei: “Jij hebt toch nooit eerder iets voor deze leeftijd geschreven?” Die vraag is begrijpelijk. Ik heb eerder jeugdromans geschreven maar zo lang geleden dat veel collega’s dat niet weten. In mijn kast moest ik het boek dat de schrijfstijl van “Stiefkind” het meest benadert onder wat spinrag en stof vandaan vissen. Het is een pocket die ik ooit met plakband bij elkaar probeerde te houden, met een saai en onaantrekkelijk omslag. Het was het tweede boek dat ik schreef. Het verscheen in 1983, precies 30 jaar geleden en werd bekroond met een Vlag en Wimpel, waar ik destijds niet van onder de indruk was omdat ik toen niets afwist van de prijzen voor kinder- en jeugdboeken.

Toch zijn er mensen die juist nog weten van mijn vroege werk. In de OBA keek de winnares van de Gouden Lijst verrast op toen ze mijn naam hoorde en vertelde mij als kind boeken van mij te hebben gelezen. Ook een Vlaams dichteres kende mij omdat zij vroeger werk van mij gelezen had. Vroeger werden mijn boeken dan in elk geval gelezen. Dat is toch leuk om te horen. Fijner zou het zijn als de boeken die ik tegenwoordig schrijf, ook gelezen werden. Want ja, ik schrijf dus ‘nog’.

Noort Stiefkind WT 2Het omslag van mijn nieuwe (jeugd)roman Stiefkind is klaar. Mooie foto. Nog 14 dagen, dan verwacht ik dit nieuwe boek in de winkels. Dit is de tekst op de achterkant:

Virginia is vijftien. Omdat haar moeder niet goed voor haar zorgde, woont ze sinds haar zevende bij haar vader en stiefmoeder. Na een ruzie met haar vader besluit ze in een opwelling de herfstvakantie bij haar moeder door te brengen. Onderweg komen er hooligans in de trein. Virginia filmt de mishandeling van een conducteur met haar mobiel, met de bedoeling het filmpje naar de politie te sturen. Maar ze bedenkt zich als ze eenmaal bij haar moeder in het huis vol herinneringen is, en haar moeders nieuwe vriend een van de hooligans blijkt te zijn…
‘Selma Noort schrijft wondermooie boeken. Deze auteur vertelt boeiend en levensecht’ – Nederlands Dagblad
‘Je zou het boek bijna de Siebelink (Knielen op een bed violen) voor de jeugd kunnen noemen. Een boek dat de verhoudingen van die tijd genuanceerd tekent’ – Friesch Dagblad over Dat spel van jou en mij

Nog een laatste sinterklaascadeautje?

Voorleesplezier voor (groot)ouders en kinderen va 6 jaar.  Om zelf te lezen va 7 jaar: DONDERS! Onze hond is een held! van Selma Noort, uitgeverij Leopold.

trefwoorden: humor, spanning, sfeer, vriendschap

verkrijgbaar: betere boekhandel, webboekwinkels (altijd raak), webwinkel van uitgeverij Leopold.

Dit is de biblionbespreking (voor de bibliotheekaanschaf, die buitengewoon groot was):

De twee buurkinderen, Jan en Dani Donder (geen familie, maar wel toevallig dezelfde achternaam) leven erg mee met hun vriendje Karel als zijn ouders een jaar gaan werken in een ziekenhuis in Afrika. Karel moet bij een deftige tante gaan wonen, tegenover het verwende klasgenootje Wendolien. Gelukkig mag zijn tekkeltje Tarzan mee. Maar deze verdwijnt nadat tante hem voor straf op straat heeft gezet. Dani en Jan komen in actie met hun reusachtige Deense dog, ook Wendolien genaamd. Gelukkig is die Wendolien niet altijd zo lief als ze lijkt. Derde deeltje uit de serie “Donders!”. Sprankelend verhaal, geschreven in korte getitelde hoofdstukjes, met prima dialogen, veel humor en een goed opgebouwde spanning. De sympathieke hoofdpersonen komen prima uit de verf. Zwierige pentekeningen, ingekleurd met aquarel, maken het boek tot een juweeltje. Een aanrader voor goede lezertjes vanaf ca. 8 jaar.

(recensie: Ria Scholten-Boswerger voor Biblion)
%d bloggers liken dit: