Ik kon toch iets bijdragen…

Schilderij “Tulpen”, olie op doek, 100/140 cm.

Onlangs ontving ik weer een magazine van Hospice Issoria, Leiden, omdat wij in het adresbestand hiervan zitten. Dit komt omdat het initiatief voor dit hospice jaren geleden is genomen door o.a. mijn buren en hun gezinsleden. Het initiatief is inmiddels uitgegroeid tot een zeer professionele organisatie en er is een nieuw  pand. Ik ken het nieuwe pand. Het staat aan de Burggravenlaan, nummer 11, is groot en mooi en ligt in een prachtige tuin. Vroeger was ertegenover het sportveld van mijn middelbare school aan de Hoge Rijndijk. Vaak vroeg ik me vroeger af wie er in dat mooie huis in die tuin woonde, of het een heel rijke familie was. Dan droomde ik ervan in zo’n soort huis te wonen en er een schrijfkamer te hebben. En als ik dan even geen inspiratie had, zou ik de bloementuin in lopen…

Nu zit er dus een hospice in het pand, en dat is helemaal goed. Ik woon inmiddels in mijn eigen droomhuis, gelukkig een stuk kleiner, maar echt met schrijf- en schilderkamer, en met een (bloemen)tuin. Ik bladerde het magazine door en natuurlijk stond er ergens ook de bescheiden vraag voor inzet of een bijdragen voor wie dit zich kan veroorloven.  Ik dacht aan het nieuwe onderkomen, aan het goede doel, en aan mijn beperkte middelen. Maar… natuurlijk kon ik iets bijdragen! Een schilderij!

Contact werd gelegd.  Gisteren ging ik het schilderij ophangen, kreeg ik een rondleiding door het mooie pand (1920) en herinnerde ik me weer levendig hoe het was om vijftien te zijn en op het sportveld te staan dromen. Het hospice is prachtig en het is prachtig dat er een hospice is. Mijn schilderij hangt in de gastvrije woonkeuken en zo is er toch een stukje van mij in het huis van mijn jeugddromen terecht gekomen.

Een stukje kleur, droom, bezieling – het voelt goed om iets waarvan ik meer dan genoeg heb, te hebben kunnen bijdragen aan het Leidse Hospice Issoria.

Voor wie meer van mijn schilderwerk wil bekijken: http://www.selmanoort-art.nl

 

 

 

 

 

 

 

Advertenties

Selma Noort met leerling Aliyana van El Kadishia op het toneelGisteren was de bekendmaking van de Griffels en Vlag-en-Wimpels bij Roest, in Amsterdam. Het CPNB vertoonde een powerpoint van alle kinderboeken-hoogtepunten van het jaar en bedankte iedereen die werkzaam was in het vak. Ik vond het een blij en positief filmpje om te zien. Maar ik miste een groot hoogtepunt van het jaar – het feest ter afsluiting van het vierde Schoolschrijverseizoen in de Kleine Komedie. Het publiek daar vond ik niet terug in de CPNB powerpoint want als er in de Kleine Komedie tien blonde koppies tussen zaten was dat het wel. Maar er waren daar auteurs die een grote inspanning hadden geleverd, en veel vrolijke staartjes, vlechtjes, voetballertjes, hoofddoekjes, branies, giecheltjes, dromers en opscheppertjes. En ze lazen allemaal, CPNB, kinderboeken! Want de schoolschrijver was geweest.

Afgelopen zomer schreef ik een boek voor beginnende lezers over een kind zoals ik die als Schoolschrijver had leren kennen. Een klein meisje met een hoofddoekje om. Een Marokkaans meisje. Ze is niet, zoals in veel kinderboeken nu, een bijpersoon. Ze doet niet een beetje mee in de kantlijn. Ze is geen onderdeel van een groepje uit een klas. Ze wordt er niet aan de haren bijgesleept. Nee, dit meisje is de hoofdpersoon. Ze spreekt rechtuit tegen alle kinderen in Nederland. En haar naam is moeilijk; nu eens geen Jasmine (of jongen: Mo). Ze heet Ouahiba. (Wèhiebè).

Ik ben een meisje.
Jij kent mij niet.
Weet je waarom niet?
Je leest mij niet.
Ik heb geen niveau.
Geen AVI-niveau.
Bas, Pien en Jip wel.
Ik wil ook meedoen.
Maar het mag niet.

Ouahiba moet met haar mama naar de bibliotheek van de juf, want dat is goed voor haar taal. Op school heeft Ouahiba een boek over een meisje dat Maan heet…

Ik zoek tussen de boeken.
Er zijn AVI-boeken.
Maar ook gewone boeken.
Boeken voor kinderen die zonder AVI durven.
Ik pak zo’n boek.
Het gaat over een meisje.
Ha-ha, het meisje heet Sterre!
Nu heb ik op school een boek over Maan.
En hier een boek over Sterre.
Zulke meisjes bestaan.
Niet bij mij in de straat.
Maar ze bestaan.
Want ze staan in boeken.

Ik denk iets moeilijks.
Ik sta daar stil met dat boek.
Ik hoor en ik zie niks meer.
Dit is wat ik denk:
Maan en Sterre staan in een boek.
Dus ik, Ouahiba, weet dat ze bestaan.
Maar ik, Ouahiba, sta nooit in een boek.
Hoe weten Maan en Sterre nu dat IK besta?
En al die AVI-kinderen:
Bas, Mo en Jip.
Wendie, Pien en Els.
Daarom schrijf ik dit op in dit boek:
Ik, Ouahiba, besta.
Niet bij jou in de straat misschien.
Maar ergens anders.
Ik, Ouahiba, besta.

De kinderen van groep vijf van de Islamitische Basisschool El Kadisia hebben het verhaal van Ouahiba voorgelezen van het digibord voor de juf en voor mij. Ze waren ernstig en gegrepen, bijna betoverd. En ik moest vechten tegen mijn tranen. Ouahiba leert in dit boekje haar moeder lezen.

‘Wie van jullie kent iemand die niet kan lezen?’ Meer dan de helft van de kinderen kende zo iemand, of zelfs meerdere mensen. Als de kinderen een verhaal schreven, schreven ze een verhaal over een jongetje of meisje dat Bas heet, of Pien, of Wendie. Maar nooit over een Ouahiba en helemaal nooit konden ze bedenken dat iemand zoals zijzelf, klein en in dat lastige Nederlands, op zou staan en zou zeggen: IK BESTA en ik wil ook meedoen! Ik wil ook een held zijn, en ik wil mezelf terug zien in illustraties, met hoofddoekje en al.

Ik heb hard geprobeerd om een sponsor te vinden om dit boekje uitgegeven te krijgen, maar ik loop tegen dichte deuren aan. Ik ben er ook niet zo goed in en ik heb er geen tijd voor. Ik ben aan het voorlezen, aan het vertellen, aan het praten met kinderen zoals Ouahiba.

Maar mocht iemand nou zo iemand kennen die een excessief dure handtas in de PC Hooftstraat wil gaan kopen of iets dergelijks, misschien wel om opgemerkt, of bewonderd te worden – stuur die persoon dan naar mij. Loop met de boekjes van Ouahiba in een plastic tas van de ETOS een school binnen en er zal een gejuich op gaan, ogen zullen glimmen, handjes zullen je aanraken en kinderstemmen je bedanken.

Is er iemand die Ouahiba haar stem kan en wil geven?

En volgend jaar graag het afsluitingsfeest van De Schoolschrijver in de powerpoint, CPNB.

 

groep 7 stoer op klompen

Cool op klompen (groep 7).

Vandaag zou ik, naast mijn vaste klassen, ook de groepen 3B en 3C bezoeken op basisschool El Kadisia in Amsterdam, waar ik werk als schoolschrijver. Ik nam een boek mee in lentesfeer: Het grote voorleesboek van de kinderboerderij (uitg. Leopold) waarin o.a. een verhaaltje staat over twee kinderen die voor het eerst op klompen lopen, wat niet meevalt. Ik was van plan wat taalspelletjes uit het boek met de kinderen te spelen, en om o.a. voor te lezen over die klompjes en ja… Terwijl ik gisterenavond thuis nadacht over wat ik zou gaan voorlezen en me probeerde in te leven in de belevingswereld van de kinderen van El Kadisia, viel mijn oog op de klompen die overal in mijn huis staan, in alle maten. Zou ik die groepen 3 eens lekker aan het giechelen maken en op mijn klompen naar de school toe gaan? Zo het schoolplein vol vaders en moeders op banjeren, en naar binnen de klassen langs, alsof ik er dagelijks zo bij loop? Ik nam in elk geval de kleine klompjes mee die mijn zoons vroeger droegen zodat de kinderen uit groep 3 konden proberen erop te lopen.

De volgende ochtend gooide ik toch nog snel mijn eigen versleten tuinklompen op de achterbank van mijn auto. Maar eenmaal bij de school durfde ik ze niet aan te trekken. Het was enorm druk. De stoepen en straat waren vol, meest van top tot teen gesluierde vrouwen, die hun kinderen naar school toe brachten. Moest ik daar doorheen klossen op die grote dingen? Laf nam ik alleen de kleine klompjes mee naar binnen. Toen ik de juf van groep 3 vertelde dat ik van plan was geweest zelf op klompen te komen, vond ze dat nu juist fantastisch. “Doen!” riep ze enthousiast. “Ga halen, die dingen! De meeste kinderen hebben hier nog nooit echte klompen gezien.”

Aangemoedigd door de juf stak ik in de lunchpauze de straat over naar mijn auto en trok mijn klompen aan. Veel van de kinderen speelden buiten op het plein. Toen ik terug kwam van mijn auto kwamen ze met grote ogen aangerend en verdrongen ze elkaar om me te zien. Overmoedig deed ik een klompendans terwijl ik “Timpe tampe tompen, Selma loopt op klompen” zong, en van die combinatie zo buiten adem raakte dat ik bijna mijn nek brak. Hijgend ging ik de school binnen, waar de bebaarde godsdienstleraar in zijn djellaba het een goeie mop vond en een aantal van de andere leerkrachten, netjes opgevoed, probeerden niet te staren terwijl ze zich zichtbaar afvroegen of dit een grap was, of een cultuuruiting die respect verdiende? In de groepen drie hoefde ik niets te doen om de volle aandacht van de kinderen te krijgen, die werd me vanzelf al gegeven. Terwijl een aantal kinderen de kleine klompjes uitprobeerden ging ik met hen aan de gang. Een koe… bloeit?  Nee, lieverd, hij l-oeit. Een schaap blaat en een geit mekkert. Wat zijn er veel woorden, en wat kennen de meeste kinderen er nog weinig.

Na afloop van de dag kloste ik de school uit, tussen enkele tientallen moeders door, die op muurtjes in de zon met elkaar zaten te praten terwijl ze hun kinderen bij de speeltoestellen in de gaten hielden. Meteen werd ik achterna gezeten door roepende en juichende kinderen, die me omhelsden, mijn handen pakten en smeekten of ik de klompendans weer wilde doen. Ze begonnen al voor me te zingen “Timpe tampe tompen…”. Maar mijn energie was op en ik hield het bij lachen, zwaaien en grapjes maken, terwijl de moeders elkaar subtiel aanstootten en verwonderd glimlachend op mijn klompen wezen. Het lukte om me te bevrijden uit de armen van de kinderen en van het plein af te klossen.

Ze zwaaiden me na, trots roepend: ‘Mama, mama! Kijk! Daar gaat ze! Dat is nou Selma Noort, onze schoolschrijfster!’

kleintjes op klompjes

En het liefste jongetje van groep 3…

IMG_1317IMG_1318IBBY* vriendenmiddag, 11 april 2014, Den Haag.
“Blijf nog even zitten, Miep! Even een selfie maken.”
(Miep Diekmann, 89 jaar oud, zeer slechtziend, 35 jaar geleden mijn schrijfmentor en nog steeds betrokken bij mijn leven en werk).
‘Wat is dat, kind, een selfie?’
“Met mijn eigen toestel, zodat we er samen op staan.”
“O, allright.”
Miep gaat ervoor zitten. “Kijk ik de goeie kant uit? Zit ik zo goed? Heb je ‘m nou al gemaakt?”
“Ja, gelukt.”
Miep grinnikt om zich heen. “Dat kind ook altijd.” En dan bedrijvig: “Help me even overeind, Selma. Heb je m’n stok, m’n tas, m’n mantel?”
“Ja, Miep.”
Miep in taxi, klein op de voorbank. Nog twee dikke kussen door het raam op haar zachte wang. “Dag lieve Miep.”
“Dag kind, dag hoor. De groetjes aan je mannen!”

*International Board for Books for Young People.

Kleuterleidsters, juffen en ik zijn het er over eens: er zijn te weinig liedjes over “de winter”. Bij het schrijven van “Het grote voorleesboek van de winter” (uitg. Leopold, 4 t/m 8 jaar) ondervond ik dat weer eens. Tja, en wat doe je dan? Dan schrijf je er zelf een, met lekker veel actie/gebaren erbij. Omdat ik het niet kan gaan voorzingen op alle scholen, heb ik het op de wijs van een bekend liedje (Herfst, herfst, wat heb je te koop…) geschreven.

Het is dikke pret als ik op een basisschool kom, om na het voorlezen en vertellen dan dit lied met de kinderen te zingen. Compleet met alles erop en eraan. Als je wilt zien hoe ik dat doe, nodig me dan uit om op je school of in de bieb te komen voorlezen, en …zingen. De hoge C haal ik niet, maar de kinderen hebben gegarandeerd lol! En als ik weer wegga, kunnen alle meesters en juffen het lied verder zingen met de kinderen. Elke winter weer…

Omdat het eerste couplet (onder de muzieknoten) een beetje moeilijk te lezen is, staat de tekst daarvan nog eens hieronder. Veel plezier!

winterlied

Winter, winter, wat heb je te koop? Uit: “Het grote voorleesboek van de winter”, Selma Noort, Uitgeverij Leopold, Illustraties: Tineke van der Stelt.

1e couplet:

Winter, winter, wat heb je te koop?
Duizend dikke sneeuwvlokken op een hoop.
Krakende vorst. Boerenkool met worst.
Warme chocolademelk voor de dorst!

LangeraarBoekhandel Haasbeek Herenhof uit Alphen aan den Rijn en ik hebben elkaar vandaag geadopteerd. Al vaker organiseerde deze mooie kantoor/boekhandel activiteiten waar ik voor gevraagd werd. Vanmorgen was ik – nog in verband met de Nationale Voorleesdagen – met deze boekhandel en verschillende vertegenwoordigers van de plaatselijke krantjes op een razend enthousiaste basisschool, basisschool Aeresteijn in Langeraar. Daar heb ik voorgelezen aan en gezongen met drie grote groepen, en daarna, tot mijn niet geringe verbazing, was ik ruim drie kwartier aan de lopende band bezig met signeren en had de boekhandel een pracht verkoop. In deze moeilijke tijd voor boekhandel en (kinderboeken)schrijvers lag de volgende stap eigenlijk gewoon voor de hand – ik stelde voor dat ik de boekhandel zou adopteren door me extra voor hen in te zetten door middel van deelname aan hun activiteiten, signeren en/of voorlezen. De boekhandel op haar beurt, wilde mij ook wel adopteren, mijn boeken goed in voorraad nemen en die activiteiten organiseren.

Proost dus! Op een fijne samenwerking in de toekomst, boekhandel Haasbeek Herenhof!

En basisschool Aeresteijn – tot ziens!

DE SCHOOLSCHRIJVER

De feestelijke afsluiting van het schoolschrijverproject 2013 in het Muziekgebouw in Amsterdam, met presentator Abdelkader Benali.

De feestelijke afsluiting van het schoolschrijverproject 2013 in het Muziekgebouw in Amsterdam, met presentator Abdelkader Benali.

Sinds 2007 kent de VvL de (Vereniging van Letterkundigen) VvL-penning toe als blijk van waardering voor mensen of instanties die iets hebben ondernomen of gepresteerd dat schrijvers en/of vertalers ten goede komt en die daarvoor naar de mening van de VvL te weinig publieke waardering krijgen. Afgelopen juni werd de VvL penning uitgereikt aan Annemiek Neefjes, de bedenker van het concept: De Schoolschrijver. Ik ben een van Annemieks schoolschrijvers, en mijn collega’s en ik waren trots op haar want we hebben in praktijk ervaren hoeveel je als schoolschrijver kunt betekenen.

Wat doet een schoolschrijver? Een schoolschrijver gaat binnen een traject van een half jaar één dag per week naar een basisschool waar grote behoefte is aan taalstimulering. Na een feestelijk introductie werkt de schoolschrijver negen weken met dezelfde klassen zodat de wisselwerking tussen schrijver en kinderen verdiept en verbreed wordt. Daarna volgen er nog drie weken talentenklassen, waarin een aantal kinderen extra aandacht van de schrijver krijgt. De schrijver werkt vanuit  eigen ervaring, enthousiasme, en liefde voor lezen en schrijven. Kortom, recht uit het schrijvershart. Er is wel een ruim en ondersteunend, flexibel programma met richtlijnen dat o.a. ook aanstuurt op het optimaal betrekken van de leerkrachten en de ouders bij het project De Schoolschrijver. Zo organiseert de schrijver een ouderbijeenkomst, een studiebijeenkomst voor de leerkrachten, een bibliotheekbezoek of –speurtocht, huiswerkopdrachten, leestips, een muurkrant in de school, e.d.

Alle kinderen van de school kennen de schoolschrijver. Na een aantal weken is er geen enkel kind meer dat niet weet wat een uitgeverij is, een illustrator of een titel. Alle kinderen begrijpen dan dat iemand – een schrijver – door middel van verbeelding en taal de wereld in een boek schept. Ze kunnen zich een beeld vormen van hoe een schrijver begint met een idee, tot aan het moment dat een boek in de winkel ligt. En ze ontdekken dat zij ook schrijvers kunnen zijn. Van gedichtjes, verhalen over hun familie, van gevoelens en wensen, of van fantasieverhalen vol monsters en prinsessen. Dit schrijven zonder opdracht – uit je verbeelding – is iets dat op scholen zeer zelden tot nooit wordt gedaan. Maar juist dan zijn kinderen razend enthousiast en optimaal gemotiveerd om naar eigen woorden te zoeken. Juist dan zetten ze spelenderwijs hun passieve taalkennis om in actieve en creatieve taalbeheersing zoals ze die zo nodig hebben voor interactie met hun leefwereld.

De kinderen gaan anders naar boeken kijken: “Ik denk dat deze schrijfster dit boek speciaal geschreven heeft voor kinderen die van voetballen houden.” “Deze schrijver heeft een verhaal geschreven dat echt is gebeurd. Dat is heel dapper.” “Het is net alsof ik de stem van die schrijver in mijn hoofd hoor als ik lees. Het is een hele aardige stem.”

Aan het eind van mijn vier maanden was het moeilijk om afscheid te nemen. Voor de laatste keer in mijn auto wegrijdend van de school zag ik ze nog even, “mijn” kinderen, in het drukke Amsterdamse stadsgewoel tussen al die grote mensen op weg naar huis met boven hun hoofden deinend de ballonnen die ik had getrakteerd.

Dit waren de afscheidswoorden van de juf van groep vier: ‘Ik vind dat je moet weten, Selma, dat sommige kinderen in deze (zwakke) klas anderhalf (school)jaar in taalvaardigheid vooruit zijn gegaan door je werk hier.’

Dit jaar ben ik weer schoolschrijver – andere kinderen, andere school.

ZENUWACHTIG VOOR JE BOEKENBEURT? WELNEE, JOH. RUSTIG AAN!

Beste kinderen: zoek een boek uit dat je leuk vindt (in de boekwinkel of in de bibliotheek), en vertel daarover aan de andere kinderen uit je klas. Kies een origineel boek, liefst een boek dat nog niet veel kinderen hebben gelezen. Breng je enthousiasme over op je klas. En vertel ook wat je er zo leuk aan vindt. Dus niet alleen maar: ‘Dit is een leuk boek.’ Maar vertel bijvoorbeeld dat je die boef in het boek zo leuk vindt omdat hij heel slim is (en geef dan een voorbeeld van hoe slim hij is). Of dat het verhaal zich ’s nachts afspeelt, dus extra spannend is. Of omdat het verhaal echt gebeurd is. Of juist omdat het fantasie is. Of omdat het grappig of mooi of ontroerend is. Of omdat er honden in voorkomen en jij veel van honden houdt. Zoiets.

Snap je de titel van het boek? Vertel aan je klas waarom jij denkt dat het boek zijn titel heeft. Wie heeft de tekening voorop gemaakt? (Die naam vind je meestal binnen in het boek). Wat vind je van die tekening? Past die goed bij het boek? Of is hij veel spannender of saaier dan het boek? Klopt wat er op de achterkant van het boek staat geschreven met wat er IN het boek staat? Waarom koos jij dit boek voor je boekbespreking? Wie is de uitgever van het boek? (Schrijvers knutselen hun boeken dus niet thuis. Zoiets moois komt niet uit hun printer. Schrijvers verkopen hun verhalen aan een uitgever, en die zorgt ervoor dat er van hun verhaal een echt boek wordt gemaakt.) Lees een stukje voor dat jij heel spannend of grappig of mooi vindt. Oefen het voorlezen thuis. En denk daarbij aan:

Goed voorlezen doe je rustig, met punten en komma’s. Zo nu en dan kijk je de klas in. Houd je vinger bij waar je voorleest, dan vindt je meteen weer terug waar je bent gebleven. Laat vraagtekens en uitroeptekens horen! Lees spannend of grappig of mooi voor. En vooral: spreek duidelijk. SNEL voorlezen is niet GOED voorlezen. Als je heel snel leest, volgen je luisteraars het verhaal niet.

Oefen je boekenbeurt een keer voor je ouders of opa of oma. Vraag wat ze er leuk aan vinden en wat je nog zou kunnen verbeteren. Vraag of ze je goed konden verstaan. En ga dan rustig naar school met je boek. Het gaat helemaal goed komen!

Als je een boekbespreking houdt over een van mijn boeken, laat het me dan weten via mijn e-mail. Je vindt mijn e-mail adres en al veel antwoorden op vragen op mijn site: http://www.selmanoort.nl.Ik stuur je altijd een e-mail terug om je succes te wensen. Die e-mail kun je dan voorlezen bij je boekenbeurt. Laat de juf of meester dan weten dat je zo slim was om informatie over de schrijver (over mij) op te zoeken, en dat je zelfs zo superslim was dat je een e-mail hebt gestuurd en ontvangen.

DYSLEXIE: Als je dyslexie hebt kun je in de bibliotheek een boek zoeken in de kast die heet “makkelijk lezen plein”. Boeken voor kinderen met dyslexie zijn vaak extra spannend of grappig zodat die kinderen, ook al vinden ze lezen misschien niet zo leuk, toch verder willen lezen. Vraag maar eens naar mijn boeken “Help! De meester is een vreetzak!” of “Help! Ze jatten de dikke dame!” Op mijn site zie je onder ‘boekenlijst’ nog meer boeken die ik speciaal voor kinderen met dyslexie heb geschreven. Lezen is misschien een beetje lastig, maar vertellen kun je zeker goed! En dat is het belangrijkst voor je boekenbeurt!

Doe je best, meer kun je niet doen. Een boekenbeurt is leuk!

Succes hoor! Daaaag!

Selma Noort

Chen en HoDe Chinese tweelingbroertjes Chen en Ho met twee van hun klasgenootjes.

Illustratie Peter van Harmelen, Voorleeskwartier, uitgeverij Zwijsen, titel: HET GEHEIM VAN GROEP 3.

De Volkskrant:

“Negenendertig Chinese restaurants geven deze week 39 procent korting op nummer 39 van de menukaart – met of zonder rijst. De actie heeft een serieuze ondertoon: Nederlandse Chinezen willen op deze manier aandacht vragen voor de discriminerende stereotyperingen die hen ten deel vallen.”

Er moet mij iets van het hart over de Chinezen in ons land. Het heeft me al lang verbaasd dat zij zo’n onvoorstelbaar incasseringsvermogen hebben. Het is/was altijd zo’n groep waarvan iedereen het wel goed leek te vinden dat ze gediscrimineerd en uitgelachen werden. Ik kwam nou nooit eens iemand tegen die het opnam voor onze Chinese medelanders. Ik identificeerde me met deze groep die het zich niet kon veroorloven of het zich niet leek te verwaardigen om zich tegen deze, al generaties voortdurende, uitgeholde lolligheid te verdedigen.

Toen ik in 2011 een opdracht kreeg om een dik voorleesboek te schrijven voor en over een groep drie, besloot ik heel bewust om een Chinese tweeling als hoofdpersonen te laten fungeren. De jongetjes Chen en Ho, die populair en supergoed in rekenen zijn, en waarvan de ouders hebben gestudeerd en beiden een hoge functie bekleden. Ik hoopte dat na het luisteren naar dit boek, kinderen anders tegen Chinese kinderen aan zouden kijken. Daarom maakte ik van deze tweeling het soort jongetjes dat iedereen wel als vriendje zou willen hebben.

De aanvankelijke reacties van de kinderen bij het voorlezen waren nog net zo als toen ikzelf bijna een halve eeuw geleden op de basisschool zat. Ze trokken gezichten, maakten spleetoogjes, ze gingen zogenaamd Chinees praten en er werd honend gelachen. Toen ik verbaasd reageerde en toen bleek dat ik geen grapje maakte maar mijn hoofdpersonen serieus nam, was er oprechte verwondering! Dit was op scholen met kinderen van over de hele wereld waar de woorden ‘discriminatie’ en ‘respect’ tegelijk met KIP, ROOS en REUS groep drie binnen kwamen.

Ook in andere voorleessituaties kwam ik bij kinderen deze opvattingen over Chinezen tegen. Vaak werden ze niet gecorrigeerd en lachten de aanwezige volwassenen besmuikt en schouderophalend. Respect leek voor iedereen te moeten gelden, behalve dus voor Chinezen (Chinese kinderen met Chinese ouders, normen en waarden). Bij geadopteerde Chinese kinderen leek het weer iets anders te liggen, misschien wel omdat zij er weliswaar Chinees uitzien, maar zich verder ‘Hollands’ manifesteren.

Aan kinderen vertel ik waarom ik een Chinese tweeling heb gekozen als hoofdpersonen. Ik vertel dan dat ik het altijd heel raar vind, die grapjes over Chinezen. En dan zijn de kinderen het eigenlijk meteen met me eens en is het over met de grapjes.

Het boek van Tamara Bos, Dinky en het paard van Sinterklaas, over een Chinees meisje, heeft enorm geholpen om een Chinees kind in Nederland een gezicht en een naam te geven. Ik vond het geweldig dat een Chinees meisje de hoofdrol in dit boek (en in de film) had.

Als Nederlandse volwassenen zich nu eens gedragen en ophouden met dat stomme gegniffel en die versleten grapjes over, in dit geval, Chinezen, dan geven we onze kinderen tenminste een duidelijke boodschap mee. Discriminatie doet iedereen tekort. Witte mensen, bruine mensen, Chinezen, maar ook ‘lelijke’, dikke, lange of ‘bijzondere/andere’ mensen. En aan die laatste groepen moeten we nog hard werken want al opvoedend, gniffelen we wat af in Nederland, om dan ‘verbaasd’ en verontwaardigd te doen als er op scholen gepest wordt.

LATER: Een uur na het posten van deze blog haalde iemand op twitter n.a.v. dit blog een herinnering op aan het lezen van de boeken over Kleine Sjang vroeger. En gek dat ik er in eerste instantie niet aan had gedacht, maar daar zal mijn weerstand tegen het ‘stom doen over Chinezen’ wel vandaan komen want ik heb met intens plezier begin jaren ’90 de boeken over Kleine Sjang, van Eleanor Francis Lattimore, bewerkt en vertaald voor uitgeverij Leopold. En die boeken heb ik natuurlijk ook weer aan mijn eigen kinderen voorgelezen!

Sjang

Miep Diekmann ontmoette ik in 1979 op de school waar ik stage liep. Ik mocht haar ‘een verhaal’ toesturen. Dat deed ik en dat was meteen mijn eerste boek.

Miep vroeg mij bij haar thuis te komen zodat ze me kon helpen het verhaal netjes als een manuscript te typen. Ik reisde voor het eerst alleen met de trein en betrad een voor mij totaal onbekende wereld toen ik bij haar over de drempel stapte en ze me vroeg of ik ‘een sherry’ wilde. Giechelen ging niet, daar in mijn eentje met niemand die begreep hoe raar dat was. Ik voelde me vreselijk onwerelds en verloren in een omgeving waar ik geen grip op had. Ik sprak dezelfde taal als Miep, zo leek het, maar ik ‘verstond’ haar niet.

Toch zijn veel van Mieps opvattingen, die altijd sterk en zeer uitgesproken waren, me bij gebleven en na verloop van tijd kreeg ik een referentiekader waarin ik ze kon plaatsen.  Soms moet ik weer denken aan wat zij me indertijd probeerde bij te brengen. Miep had in 1978 de Gouden Griffel gekregen voor het boekje Wielewielestap dat zij had geschreven voor peuters en kleuters, met illustraties van The Tjong King. Ik hoor het haar nog gepassioneerd zeggen – hoe bijzonder het was dat een boekje voor zulke jonge kinderen de Gouden Griffel kreeg, want: “Kind, ze bekronen bijna altijd boeken die ze zelf nog wel leuk vinden; boeken voor oudere kinderen. Zich inleven in een peuter of kleuter doen ze niet als ze een boek beoordelen. En dat zouden ze wel moeten doen. Kijk nou eens naar het smoeltje van zo’n kind als je voorleest. Komt het over wat er in het boek staat? Kan die kleine er iets mee? Moet die uk erover nadenken en gaat ie erover aan het praten? Zo moet je naar een boek voor peuters of kleuters kijken. Maar die recensenten en al die lui die meningen vormen over boeken, denken vanuit hun eigen leeftijd en ervaring. Nou ja, meid, je zal ’t allemaal nog wel meemaken.”

Onlangs kwam mijn boek “Stiefkind”, een jeugdroman, uit. En het viel me meteen op dat mensen dan pas vinden dat ik ‘echt’ schrijf. Een ‘echt’ boek. En dát zit mij nou ‘echt’ niet lekker. Want mijn boeken voor kleuters, daar ben ik net zo trots op. Vier grote voorleesboeken die er prachtig uitzien en veel (groot)ouders, leerkrachten en kinderen stof tot nadenken geven. Ik heb veel contact met mijn lezers en ze vertellen mij dat de boeken deel uitmaken van de dagelijkse wereld van hun kinderen en henzelf, en dat de kinderen zichzelf en situaties herkennen in de boeken en daarover praten. (Net zoals Roel, mama, die deed dat ook, hè!)

Dat is mooi. Dat is heel mooi. En het is raar dat mensen uit het vak doen alsof schrijven voor (heel) jonge kinderen niets voorstelt. Ik ben vandaag begonnen met een nieuw ‘groot’ voorleesboek over Roel en Noor. Het vijfde. En Tineke van der Stelt gaat er weer haar mooie sfeervolle tekeningen in maken. En voor de mensen die vinden dat dit schrijven niet veel voorstelt, stel ik dit voor: Neem een kind op schoot, lees het kind voor uit een van deze boeken. Laat het kind bekend raken met Roel en Noor. Zie wat de verhaaltjes voor dit kind betekenen. Observeer het proces van het omzetten van taal naar (ver)beeld(ing) op het geconcentreerde snoetje. En oordeel dan pas. Want ik schrijf niet voor jullie. Maar voor jullie kinderen, en voor de kinderen die jullie eens waren – en nu achteloos verloochenen.

Hoe is het mogelijk dat in een maatschappij waarin wij beweren onze kinderen toch serieus te nemen, dat mensen die met kinderen werken, leerkrachten en kinderboekenschrijvers bijvoorbeeld, weggezet worden als infantiel en minderwaardig aan hen die met en/of voor volwassenen werken?

%d bloggers liken dit: