Archives for category: Kinderboekenschrijvers

Onderstaand blog werd eerst gepubliceerd door de afdeling natuur-educatie van Nationaal Park Zuid-Kennemerland vanwege de feestelijke en kindvriendelijke wolvententoonstelling (opening 22 december 2018).  Op deze opening, helemaal in kerstsfeer, vertel ik over het ontstaan van mijn boek Silas en de wolf en lees een aantal fragmenten voor. Hierna blijf ik natuurlijk nog een poosje voor wie het leuk vindt om na te praten en een boek (met wolvenbril!) te laten signeren.

SILAS EN DE WOLF

Zoals veel Nederlanders spits ik mijn oren als er weer nieuws is over ‘de terugkeer van de wolf’ want de wolf spreekt al vanaf mijn kindertijd tot mijn verbeelding en is dat blijven doen. Zoals veel kleuters kreeg ik sprookjes voorgelezen waarin de wolf een belangrijke rol speelde, en toen ik het lezen eenmaal machtig was en fanatiek boeken in de Leidse kinderbibliotheek leende, kon ik mijn geluk niet op als ik een boek vond waar een wolf in voorkwam. Verhalen over wolven waren immers altijd spannend en speelden zich vaak af in een koud land waar het prachtig sneeuwde, waar ijspegels glinsterden in zon en waar de mensen arm waren. Een boekenland waar het leven moeilijk, zielig en spannend, maar overzichtelijk leek. Het ging om onderdak vinden in een houten huis of schuur, een vuur om je bij te warmen, een rendier die haar warme adem in witte wolkjes uitblies en moederlijk toeliet dat de hoofdpersoon haar hongerige, koude kinderlijfje tegen haar flank vleide om te delen in haar warmte. Of over die wolf die een verscheurend dier was, behalve voor dat ene kind, de hoofdpersoon. Daar paste die wolf op, daar vocht hij voor, dat was zijn mensenvriend. Mijn mensenvriend, mijn speciale vriend… want als ik las werd ik die hoofdpersoon, liep ik door de sneeuw, en sloeg ik mijn armen om de nek van de wolf…

Als jeugdboekenschrijfster bezoek ik met grote regelmaat basisscholen om over mijn werk te vertellen. Naar aanleiding van mijn boek Silas en de wolf praat ik met kinderen over de terugkeer van de wolf in Nederland, over het standpunt van schapenhouders, en over jagen en jagers. In de randstad kom ik eigenlijk nooit een kind tegen die een jager kent. Kom ik echter op een basisschool in bijvoorbeeld Twente en vraag ik of de kinderen iemand kennen die jaagt, dan gaan er per klas zo’n zeven (aarzelende) vingers omhoog. Ze kennen een jagende opa, een jagende bakker, een jagende buurvrouw.
‘Zijn dat slechte mensen dan?’ Verontwaardigd: ‘Nee, natuurlijk niet.’
‘Zouden zij schieten op een wolf?’ ‘Nee…’ Er wordt getwijfeld. ‘Nee toch?’
‘Waarom eigenlijk niet?’ ‘Daar zijn er maar weinig van, hè?’ ‘Nee! Ze zijn beschermd!’
Een discussie volgt dat over wat dit betekent, een beschermd dier.
Natuurlijk heb ik prachtige foto’s van wolven op het digibord en als ik vraag wie een verhaal kent waar wolven in voorkomen, kennen alle kinderen er wel een.
Tot besluit lees ik een stukje voor uit Silas en de wolf. Voor ik wegga komen de kinderen een handtekening halen op een kaart van het omslag. Ze praten opgewonden. Een jongen zit het mooie omslag van Martijn van der Linden al na te tekenen. Hij kon bijna niet geloven dat het een tekening was, en geen foto. Als ik afscheid neem geef ik de leerkracht nog een paar voorleestips: Gordijnen dicht, licht uit, alleen twee kaarsjes aan, en ssst – voorlezen.
Laat de kinderen door de sneeuw het bos inlopen, het land in waar de wilde wolven zijn…’

Selma Noort
Silas en de wolf, Uitgeverij Leopold – vanaf 8 jaar.
www.selmanoort.nl

Unknown

 

Advertenties

foto van JaapLeest.Jaap Friso van “Dé recensiewebsite over jeugdliteratuur, JAAP LEEST”, somt naar aanleiding van mijn boek Oppassen problemen op die niet in het boek staan, sneert links en rechts nog wat en roept dan “Carry Slee!” (waartegen ik overigens geen bezwaar heb). Snerend recenseren, arrogant en lekker populair. Je krijgt er altijd wel enkele jaknikkers mee in je kielzog, want er is veel te vrezen in kinderboekenland.  Wie waagt het een kritische noot bij een onzorgvuldige, flauwe recensie te plaatsen? Zeker niet als de recensent ook in jury’s zit die kinderboeken beoordelen.

Hier dan de juiste feiten die zelfs beginnend amateur-recensenten goed lazen in mijn boek “Oppassen”: Oppaskindje wordt ontvoerd door zijn vader, niet door zijn ‘gescheiden’ vader. Hoofdpersoon Nina vind het eng in de brugklas (en is bang in het donker) maar spreken van “angststoornissen” slaat nergens op. Luca is haar halfbroer, niet haar stiefbroer. Hij is drie jaar ouder, niet vijf jaar ouder. Nina en Luca hebben betrokken, liefdevolle ouders en een warm, gezellig thuis, hun ouders zijn niet gescheiden. Duizelt het al, zoveel correcties die er zeker toe doen – want ‘probleemboek’ roepen is nu minder voor de hand liggend. Duizelt het al? En Stiefkind is een 12/13+ boek, het is zeker niet voor 10-jarigen. Maar dit staat wellicht zo in Jaaps recensie omdat het goed past in zijn ‘een pot nat’ benadering.

Duizelt het al? sneert Jaap Friso in zijn recensie na zijn onjuiste opsomming van problemen.

Oppassen is geen probleemboek. Het gaat over pittige, leuke kinderen, een fijn gezin, maar ook over eigentijdse issues. Bang zijn in het donker is in dit boek eerder grappig en kinderachtig van de hoofdpersoon (en dat weet ze zelf ook wel) dan een probleem, en het is zeker geen stoornis.

Bij het lezen van deze recensie moet ik denken aan zo’n onderwijzer die, zonder werkelijk naar de CITO-toets te kijken, doorverwijst naar het vervolgonderwijs. Hij weet immers al wat ik in mijn mars heb en hij kent mijn ‘soort’. Dus hij zet me weg waar ik volgens hem hoor.

Dit schrijft Jaap Friso op FB:

“Rond mijn 14e was ik dol op de zogenaamde ‘kommer- en kwelreeks’. Boeken (vooral van Lemniscaat) waarin moeilijke maatschappelijke thema’s werden behandeld, maar toch lekker weglazen.

De recente boeken van Selma Noort passen in zo’n reeks. Verhalen over kinderen met veel verantwoordelijkheid en problemen, vaak komen ze uit gebroken gezinnen.

In Oppassen een meisje met angstoornissen en een oudere stiefbroer die graag in vrouwenkleren loopt. Ze passen een weekend op een jongetje, dat wordt ontvoerd door de gescheiden vader. Ga er maar aan staan om hier een coherent verhaal van te maken maar dat is gelukt.

Dit is dan de recensie op zijn web site:

“Liefde voor altijd bestaat niet”

GENRE: Kinderboek 

UITGEVER: Leopold

WAARDERING: 7.5

Nina (12) heeft een angststoornis en haar vijf jaar oudere halfbroer Luca loopt graag in meisjeskleren en maakt zich op. Het wat ongewone duo is tot elkaar veroordeeld als hun ouders een weekend naar Parijs gaan. Geen straf want ze kunnen het goed met elkaar vinden. Luca wordt onverwachts ingeschakeld door de moeder van zijn oppaskind en tijdens het bewuste weekend wordt het jongetje op wie ze passen  ontvoerd door zijn gescheiden vader.

Duizelt het al?  Schrijfster Selma Noort heeft er een handje van om veel personages en verhaallijnen op te voeren en dat brengt bijna automatisch gevaren met zich mee. Dat het te vol wordt omdat een een auteur te veel wil vertellen en dat de focus ontbreekt. Aan dat euvel lijdt Oppassen enigszins maar Noort slaagt er wonderwel in om zaken die bijna onaannemelijk zijn toch geloofwaardig te maken. Een kind dat zomaar wordt meegenomen uit de speeltuin in een bestelbusje. Een allochtone jongen die de androgyne Luca buitengewoon aantrekkelijk vindt.

Het is op het randje maar het wordt niet echt vreemd, vooral door de soepele verteltoon. Het is de verdienste van Noort dat ze wegkomt met die mate van onwaarschijnlijkheid. Net als in de 10+boeken Afkoelen en Stiefkind, die indezelfde lijn liggen.  Anders dan bijvoorbeeld Carry Slee, die soortgelijke thema’s behandelt, maar het er dikker bovenop legt. Noorts verhalen lezen ook gemakkelijk weg, maar krijgen meer diepgang.

Het genderissue van Luca wordt onnadrukkelijk uitgewerkt waardoor het snel vanzelfsprekend wordt.  Dat geldt in mindere mate voor de angsten van Nina, die niet veel meer dan een gegeven zijn, al lijkt het iets met de scheiding van haar ouders te maken te hebben. ‘Liefde bestaat niet echt, denk ik. En dan denk ik: liefde voor altijd bestaat niet’. Het zijn fraaie karakterss, maar ze strijden net iets teveel om voorrang om ze goed te leren kennen

De boeken van Noort zouden niet misstaan in de serie die vroeger werd aangeduid als ‘de kommer en kwelreeks’. Hedendaagse problemen waarbij veel identificatie  mogelijk is. Het gaat doorgaans om kinderen uit gebroken gezinnen, met veel verantwoordelijkheid en de nodige problemen. Maar er is ook  sprake van liefde en vriendschap, hoe ingewikkeld ook, en daarmee altijd een perspectief.

 

Blij was ik met een eerste reactie van een jonge lezer op mijn nieuwste boek “Oppassen”! (11 t/m 15 jaar) “Het gaat over interessante jongeren, het boeit. Wat je over ze leest zou je niet gauw over iemand te weten komen in het echt. Ik was telkens verrast over hoe ze waren. Ze waren anders dan ik verwachtte. Bijna alsof ik achter hun diepste geheimen ben gekomen. Het voelde ook gevaarlijk. Ik denk dat ik me beter zou aanpassen omdat het gevaarlijk is als je zo eerlijk bent over jezelf. In elk geval op de middelbare school.” En: “Ik vroeg me af of ik anders was geweest als ik zulke vrienden had gehad.”

Dit boek “Oppassen” zou eerst in de zomer en onder een andere titel zijn verschenen bij uitgeverij Leopold. Door omstandigheden is het afgelopen december onder deze titel verschenen en daardoor wellicht aan de aandacht ontsnapt. Dit kan ik natuurlijk niet laten gebeuren, want de hoofdpersonen uit mijn verhaal zijn het waard om kennis mee te maken. Homo of hetero, jongen of meisje – doet het ertoe? Waarom moeten homo’s uit de kast komen en hetero’s niet? Waarom zou je jezelf begrenzen? Waarom moeten mensen gelabeld worden? Je bent een mens en je houdt van een mens, maak het niet ingewikkelder dan het is. Je bent niemand uitleg verschuldigd.
In dit verhaal krijgen de complexiteit van seksuele keuzevrijheid, samengestelde gezinnen, multiculturaliteit, talent, liefde, vriendschap en eigenheid alle aandacht.

voorkant oppassen.jpg

De achterflap geeft spanning over een vermiste oppaskindje weer. Dit was mijn opzet. Ik hoop hiermee dat jongeren het boek zullen pakken en lezen, spanning verwachtend, en dat zij dan (hopelijk) net zo verrast zullen zijn over de inkijk in het leven van de hoofdpersonen als de jonge lezer van bovenstaand citaat.

Achterflap: “Midden in mijn verhaal staat Luca ineens op van het bankje en kijkt zoekend om zich heen. ‘Sammie?’ roept hij. Ik hoor schrik en ongerustheid in zijn stem. Sammie moet in de buurt zijn. Een minuut geleden scharrelde hij nog met zijn kiepautootje tussen de herfstbladeren. Hij is pas twee. Een kind van twee kan niet ver weg zijn.” Nina en haar broer Luca hebben beloofd om op elkaar te passen als hun ouders het weekeinde naar Parijs zijn. Maar dan is er ineens ook oppas nodig voor Sammie, Luca’s oppaskind. Nina besluit met Luca mee te gaan. Twee dagen en twee nachten van huis… Wat kan er nou helemaal gebeuren?

Onderwijstip:

Zoek je een boek om klassikaal te lezen in brugklassen en tweede klassen middelbare school, om over te discussiëren en om eigenheid bespreekbaar te maken – lees dat dit boek en overweeg of het iets is voor je klas.

 

LangeraarBoekhandel Haasbeek Herenhof uit Alphen aan den Rijn en ik hebben elkaar vandaag geadopteerd. Al vaker organiseerde deze mooie kantoor/boekhandel activiteiten waar ik voor gevraagd werd. Vanmorgen was ik – nog in verband met de Nationale Voorleesdagen – met deze boekhandel en verschillende vertegenwoordigers van de plaatselijke krantjes op een razend enthousiaste basisschool, basisschool Aeresteijn in Langeraar. Daar heb ik voorgelezen aan en gezongen met drie grote groepen, en daarna, tot mijn niet geringe verbazing, was ik ruim drie kwartier aan de lopende band bezig met signeren en had de boekhandel een pracht verkoop. In deze moeilijke tijd voor boekhandel en (kinderboeken)schrijvers lag de volgende stap eigenlijk gewoon voor de hand – ik stelde voor dat ik de boekhandel zou adopteren door me extra voor hen in te zetten door middel van deelname aan hun activiteiten, signeren en/of voorlezen. De boekhandel op haar beurt, wilde mij ook wel adopteren, mijn boeken goed in voorraad nemen en die activiteiten organiseren.

Proost dus! Op een fijne samenwerking in de toekomst, boekhandel Haasbeek Herenhof!

En basisschool Aeresteijn – tot ziens!

Chen en HoDe Chinese tweelingbroertjes Chen en Ho met twee van hun klasgenootjes.

Illustratie Peter van Harmelen, Voorleeskwartier, uitgeverij Zwijsen, titel: HET GEHEIM VAN GROEP 3.

De Volkskrant:

“Negenendertig Chinese restaurants geven deze week 39 procent korting op nummer 39 van de menukaart – met of zonder rijst. De actie heeft een serieuze ondertoon: Nederlandse Chinezen willen op deze manier aandacht vragen voor de discriminerende stereotyperingen die hen ten deel vallen.”

Er moet mij iets van het hart over de Chinezen in ons land. Het heeft me al lang verbaasd dat zij zo’n onvoorstelbaar incasseringsvermogen hebben. Het is/was altijd zo’n groep waarvan iedereen het wel goed leek te vinden dat ze gediscrimineerd en uitgelachen werden. Ik kwam nou nooit eens iemand tegen die het opnam voor onze Chinese medelanders. Ik identificeerde me met deze groep die het zich niet kon veroorloven of het zich niet leek te verwaardigen om zich tegen deze, al generaties voortdurende, uitgeholde lolligheid te verdedigen.

Toen ik in 2011 een opdracht kreeg om een dik voorleesboek te schrijven voor en over een groep drie, besloot ik heel bewust om een Chinese tweeling als hoofdpersonen te laten fungeren. De jongetjes Chen en Ho, die populair en supergoed in rekenen zijn, en waarvan de ouders hebben gestudeerd en beiden een hoge functie bekleden. Ik hoopte dat na het luisteren naar dit boek, kinderen anders tegen Chinese kinderen aan zouden kijken. Daarom maakte ik van deze tweeling het soort jongetjes dat iedereen wel als vriendje zou willen hebben.

De aanvankelijke reacties van de kinderen bij het voorlezen waren nog net zo als toen ikzelf bijna een halve eeuw geleden op de basisschool zat. Ze trokken gezichten, maakten spleetoogjes, ze gingen zogenaamd Chinees praten en er werd honend gelachen. Toen ik verbaasd reageerde en toen bleek dat ik geen grapje maakte maar mijn hoofdpersonen serieus nam, was er oprechte verwondering! Dit was op scholen met kinderen van over de hele wereld waar de woorden ‘discriminatie’ en ‘respect’ tegelijk met KIP, ROOS en REUS groep drie binnen kwamen.

Ook in andere voorleessituaties kwam ik bij kinderen deze opvattingen over Chinezen tegen. Vaak werden ze niet gecorrigeerd en lachten de aanwezige volwassenen besmuikt en schouderophalend. Respect leek voor iedereen te moeten gelden, behalve dus voor Chinezen (Chinese kinderen met Chinese ouders, normen en waarden). Bij geadopteerde Chinese kinderen leek het weer iets anders te liggen, misschien wel omdat zij er weliswaar Chinees uitzien, maar zich verder ‘Hollands’ manifesteren.

Aan kinderen vertel ik waarom ik een Chinese tweeling heb gekozen als hoofdpersonen. Ik vertel dan dat ik het altijd heel raar vind, die grapjes over Chinezen. En dan zijn de kinderen het eigenlijk meteen met me eens en is het over met de grapjes.

Het boek van Tamara Bos, Dinky en het paard van Sinterklaas, over een Chinees meisje, heeft enorm geholpen om een Chinees kind in Nederland een gezicht en een naam te geven. Ik vond het geweldig dat een Chinees meisje de hoofdrol in dit boek (en in de film) had.

Als Nederlandse volwassenen zich nu eens gedragen en ophouden met dat stomme gegniffel en die versleten grapjes over, in dit geval, Chinezen, dan geven we onze kinderen tenminste een duidelijke boodschap mee. Discriminatie doet iedereen tekort. Witte mensen, bruine mensen, Chinezen, maar ook ‘lelijke’, dikke, lange of ‘bijzondere/andere’ mensen. En aan die laatste groepen moeten we nog hard werken want al opvoedend, gniffelen we wat af in Nederland, om dan ‘verbaasd’ en verontwaardigd te doen als er op scholen gepest wordt.

LATER: Een uur na het posten van deze blog haalde iemand op twitter n.a.v. dit blog een herinnering op aan het lezen van de boeken over Kleine Sjang vroeger. En gek dat ik er in eerste instantie niet aan had gedacht, maar daar zal mijn weerstand tegen het ‘stom doen over Chinezen’ wel vandaan komen want ik heb met intens plezier begin jaren ’90 de boeken over Kleine Sjang, van Eleanor Francis Lattimore, bewerkt en vertaald voor uitgeverij Leopold. En die boeken heb ik natuurlijk ook weer aan mijn eigen kinderen voorgelezen!

Sjang

Beste Irma Ruifrok,

9789027664044Misschien hebben wij elkaar weleens ontmoet op een feestje bij Uitgeverij Zwijsen, maar misschien ook niet. In elk geval hebben wij samengewerkt en ben ik zeer intensief met jouw werk bezig geweest op een wel heel speciale manier. Namelijk op het Kinderboekenfestival in Paramaribo, Suriname, Zuid Amerika, dat wordt bezocht door ongeveer 7000 kinderen per dag die met bussen worden aangevoerd van overal waar er wegen zijn. Suriname is een voormalig kolonie van Nederland, en iedereen spreekt daar Nederlands. (Sorry, ik vertel dit erbij omdat ik eigenlijk niet weet of je Vlaams bent, en in België is dit niet zo bekend als in Nederland, heb ik van een Vlaams collega in Suriname vernomen).

ik in stand

Het door jou geillustreerde boekje “Dat moet ik zien” was daar een groot succes. Met de uitvergrote illustraties erbij (je werkt daar in een tent op een festivalterrein zo groot als twee voetbalvelden) vertelde ik het verhaal met een Surinaamse draai. Zo woont het jongetje in Paramaribo en is zijn favoriete voetballer Messi, en is hij een fan van Barcelona. Want PSV kennen ze niet daar! 🙂

3 meisjes met flapoverOok verzin ik erbij dat zijn moeder denkt dat er een ‘biggy kaaiman’ in de struiken zit (want daar hebben ze daar veel ontzag en schrik voor). Al met al lijkt het hele verhaal over een kind zoals zijzelf te gaan. Na afloop van mijn vertelling, laat ik de kinderen adh van jouw illustraties (zie flapover) het verhaal weer navertellen. Je duidelijke illustraties waren in 2011 en dit afgelopen voorjaar 2013 dus een onmisbare steun bij het doen van mijn werk en vele kinderen hebben ervan genoten. En dat hoor jij natuurlijk weten.

Heel hartelijk dank voor je mooie tekeningen, ook namens de kinderen Suriname.

hartelijke groet,
Selma Noort

groepje

Moeders en hun kinderen

Vanmorgen stond me op de Amsterdamse JP Coenschool waar ik als schoolschrijver werk, een verrassing te wachten. Ik had iets lekkers, een aantal van mijn boeken om in te kijken, en werk van de kinderen meegenomen voor de ‘ouder-koffie-ochtend’, de ontmoeting met ouders en/of eventueel andere familie van de kinderen. Toen ik het zaaltje binnen kwam, zat een aantal moeders al in glimlachende afwachting klaar rond een grote tafel. Ze waren bezig met Nederlandse (lees)les uit een van mijn boekjes (Bart en Esra, voorlezen aan peuters en kleuters). De ouders van Esra, in het boekje, zijn Turks. Grappig genoeg was niet een van de aanwezige moeders deze ochtend Turks, hoewel er veel uiteenlopende nationaliteiten werden vertegenwoordigd. Vragen voor me waren al op het bord geschreven en er lag een boekje voor me klaar: ‘”Ik moet heel hard lachen” door de moeders van de JP. Coenschool naar aanleiding van een verhaal van Selma Noort’. Het bevat heel korte verhaaltjes in het Nederlands! over momenten dat de moeders moesten (glim)lachen om hun kind.  De ‘juf Nederlands’ heeft de moeders een beetje geholpen. Ik vind het een prachtig geschenk. Het is een heel ontroerend boekje en ik kreeg toestemming om een paar verhaaltjes in dit blog te verwerken.

Deze jonge vrouw kent nog maar heel weinig Nederlands.

Ik ben Wala. Ik kom uit Palestina. Mijn zoon heet Mahmoud. Hij is een baby. Als mijn zoon slaapt, hij speelt met zijn handen. Zijn armen blijven omhoog. Ik vind dat schattig. Wala.

Midia schrijft:

Gisteren Maryam slaapt. Ze droomt. Ze roept: “Juf! Juf!” Ik moet lachen. Midia.

Yamina schrijft:

Gisteren mijn dochter draagt mijn kleding. Ze doet mijn kaftan aan. Ze zet mijn bril op. De kaftan is groot voor haar. Ik lach. Ik moet heel hard lachen. Ik zeg tegen haar: Dit is groot voor jou. Ik maak een kleine kaftan voor je. Ik ga naar de markt, stof kopen. Yamina.

Khadra schrijft:

Ik verschoon de luier van Sohaib. Hij lacht. De luier is uit. Hij vindt dat fijn. Ik kietel mijn zoontje. Khadra.

Ik heb deze vrouwen gezien en gesproken. We hebben koffie en thee gedronken en allerlei lekkere dingen erbij gegeten. We hebben over onze kinderen gesproken, over het moederschap, over taalproblemen, het genieten van de bibliotheek en alles wat deze te bieden heeft, en over voorlezen aan onze kinderen. Maar als ik deze vrouwen niet had ontmoet, had ik door deze sobere en toch zo veelzeggende schetsen uit hun leven, ook een prachtig beeld van hen gekregen.

naar de grenzen van de werkelijkheid

De eerste tien jaar schreef ik uitsluitend boeken die gebaseerd waren op de realiteit. Ik kon die realiteit niet loslaten. Pas toen ik een poos niet schreef en er een periode van rust in mijn leven had plaatsgevonden, schreef ik het eerste verhaal dat zich niet in een herkenbare werkelijkheid afspeelde – een sprookje genaamd “Eilandheimwee”, dat werd bekroond met een Zilveren Griffel. Sindsdien was het prettig de werkelijkheid te laten voor wat het was en nieuwe werelden te scheppen, op het randje van die werkelijkheid soms, waardoor lezers twijfelden. Het was herkenbaar en toch niet. Zoiets kon toch niet bestaan/gebeuren… of wel? En: Kon zoiets maar echt gebeuren. Bestonden deze boekpersonen maar echt.

Met schilderen verliep het voor mij vlotter. Thuis zette ik van alles op het doek zonder voorbeeld, tastend en zoekend tot er iets herkenbaars ontstond… en toch ook weer niet – situaties op de grenzen van de realiteit. Anders was het met een model voor mijn neus. Dan probeerde ik toch altijd weer een gelijkenis te treffen. Telkens weer ging wat ik maakte lijken op wie er voor me zat, of ik dat nu een interessant model en een interessante pose vond of niet (meestal niet). Voor mijn gevoel lukte het me gisterenavond voor het eerst echt om het model en de pose, waar ik helemaal niets mee had, los te laten door mijn blik ervan af te wenden en alleen nog maar gedeeltelijk haar houding te gebruiken voor wat ik wel interessant vond en wilde tekenen.

Een moeizaam proces waar ik altijd mee bezig ben en aan werk – het verbeelden van de grenzen van de werkelijkheid en het ongevormde land daarachter. Daar is het zoveel interessanter en daar vertoef ik zoveel liever dan in het land van de realiteit die wij denken met elkaar te delen.

zo precies mogelijk naar werkelijkheid

Omdat we in turbulente tijden verkeren waarin alles bliksemsnel verandert en we achter de feiten aanhollen, is mijn plaats als schrijver in deze maatschappij ook onzeker geworden. Ik schrijf nu 32 jaar en ‘schrijver zijn’ is deel van mijn identiteit geworden. Schrijven is niet iets wat ik doe, schrijver zijn is iets wat ik ben. De laatste tijd is niet alleen mijn vermogen tot kost winnen aan het wankelen gebracht, maar ben ik zelf, als persoon aan het wankelen gebracht. Ik heb meermalen dof en verslagen aan de keukentafel uit het raam zitten kijken naar de school naast ons huis. Ik kijk recht de kleuterklassen binnen en zie de juf bezig met de kinderen. Ooit, lang lang geleden zou ik kleuterleidster worden. En als ik geen schrijver was geworden, was ik daar zelf bezig geweest tussen de kinderen. Zou ik het nog kunnen? Zou ik gelukkiger zijn als ik de hele kinderboekenwereld achter me liet en me lijfelijk weer tussen de kinderen begaf? Zingen, troosten, verzorgen, begeleiden, voorlezen, pret hebben met de kinderen. En dan zou ik een prentenboek in mijn handen krijgen van die of die… En ik zou weten wie die of die was en alles weer voor me zien, iedereen uit het kinderboekenwereldje. En ik zou me verscheurd voelen, het zou fysiek pijn doen er geen deel meer van uit te maken. En het onderwijs is ook nog eens zo veranderd, kleuters worden nu heel anders benaderd dan toen ik mijn diploma kreeg in 1979. Ik zou in elk geval eerst stage moeten lopen. En fysiek? Een kleuterleidster moet kunnen bukken en tillen en ik ben al blij als het me ’s morgens is gelukt mijn sokken aan te trekken…

Afgelopen kinderboekenweek overzag ik ineens de hele situatie waarin ik als kinderboekenschrijver (en vele van mijn collega’s) ben komen te verkeren. Vlak bij het Zaantheater, waar ik mijn eerste optreden van de kinderboekenweek zou hebben, verzwikte ik akelig mijn enkel en kwam ten val. Mijn mand met boeken en mijn handtas daarin viel ook. Mijn handtas schoof onder een geparkeerde auto. Mijn boeken lagen overal om me heen. Ik kon niet overeind komen, keek naar mijn enkel die eruit zag alsof hij gebroken was en kon jammerend maar één dingen denken: ‘O god, nee, niet op de eerste dag van de kinderboekenweek. Ik kan het geld niet missen, ik moet nog 10 dagen op pad. Nee toch! Waarom nou?’ Er was geen hond in de buurt die me daar achter de auto’s kon zien liggen. Uiteindelijk lukte het me om op handen en knieën overeind te komen en naar mijn handtas te staren, die drie meter buiten mijn bereik lag. Als er nu nog iemand met mijn tas vandoor gaat… dacht ik. Maar dat gebeurde niet. Ik werd overeind geholpen door een lieve jonge vrouw en door de zorgzame mensen van het Zaantheater naar het ziekenhuis gebracht.

Het is denk ik die val geweest die me heeft laten zien hoe mijn leven als kinderboekenschrijver momenteel voor me aanvoelt. Mijn boeken op straat en mijn persoonlijke veiligheid (handtas) buiten bereik en daarbij een dreigend onvermogen om geld te verdienen.

Nou ja. Ik ben toen ook overeind gekomen en doorgelopen, zij het hinkend. Moet lukken. Blik vooruit. Rug recht. Kin omhoog. En beter je best doen!

 

 

%d bloggers liken dit: