Ik kan heel veel. Van kinderen verzorgen tot knopen aanzetten, een leaseauto huren en zelf inchecken op Schiphol.

Deze #Kinderboekenweek2020 reis ik van hot naar her voor de #schrijverscentrale. Om dit zo ontspannen mogelijk te doen, vertrek ik ruim op tijd, en dan nog eens een half uur extra. Want tegenslag loert overal en klassen kinderen laat je niet wachten. Plotseling gaat er op de heenweg een lampje branden voor mijn neus. Ik herken het – bandenspanning. Ja, kan kloppen, daar is al sinds ik deze auto ben gaan leasen niets aan gedaan. Hè bah. Op de terugweg dan maar. Het is niet urgent, dat weet ik inmiddels.

Maar morgen moet ik naar de Achterhoek en dat is toch echt een eind rijden en ik wil veilig rijden natuurlijk, zeker nu de wegen overal natglad zijn. Op de terugweg van de school in Edam, ik moet opschieten want vanmiddag heb drie klassen uit Zaanstad die ik digitaal ga bezoeken, van achter mijn bureau. Een soort extra school is dat. Rond zes uur ben ik dan klaar en dan wil ik graag eten gaan maken en spullen voorbereiden voor de grote groepen morgen en inpakken voor het hotel waar ik zal overnachten. IK KAN DIT zeg ik tegen mezelf over de bandenspanningsuitdaging want ik wil dapper zijn, hoewel ik met iedereen wil ruilen. Ik zet jouw knopen aan, jij lost mijn bandenspanning op… Nee zeg, kom op, ik ben een feministe, toch. Dus IK KAN DIT. Ik rijd het grote benzinestation langs de A4 op en kan parkeren naast de bandenspannings… eh… paal? Machine. Nou ja. Dat ding met die slang eraan. Zo ver, zo goed. Maar onder een dakje staat hij niet en het gutst werkelijk van de regen. IK KAN DIT. Dus ik stap uit en trek snel mijn jas aan. Capuchon op. Er staat al een man die bezig is, dan kan ik mooi even kijken. En aan de binnenkant van mijn bezinedop zou moeten staan hoe hard ik de banden moet oppompen. O, dat staat er niet. Maar waar dan wel? En als ik nu zomaar iets doe en ik pomp die banden te hard op… wat dan? Intussen druipt de regen van mijn capuchon over mijn gezicht en is mijn bril drijfnat. Het verkeer raast oorverdovend langs en ik zie dat er vijftig cent in het pompding moet. En die heb ik niet. Ik heb alleen een digitale pas in mijn telefoon. Sinds corona-maart heb ik geen tastbaar geld meer in handen gehad. Goed. Dan houdt het hier op. Ik rijd naar de garage van de lease, besluit ik. Die helpen me vast wel. Het is wel een eind omrijden, maar het moet maar want morgen geen tijd en nu ook opschieten want straks weer die drie klassen kinderen. Bij de leasemaatschappij hangen enorme perspex schermen, is met rood-wit lint de boel afgezet alsof er nog ergens een groot politieonderzoek naar iets afschuwelijks aan de hand is en moet ik volgens een GROOT GEBODSBORD een mondkapje op voor ik naar binnen ga. Gelukkig hebben ze een doos van die dingen daarbij staan. Ik jat er meteen twee, handig voor de volgende tegenslag, ergens, ongetwijfeld. De man van de lease zegt dat ze mijn bandenspanning wel willen oplossen maar ik moet dan drie kwartier tot een uur wachten. Ja, dan kan niet! Het is inmiddels half drie en ik snak naar een boterham en ik moet ook hoognodig piesen. Ik loop het kantoor uit en rijd naar het dichtstbijzijnd benzinestation. Het motregent nu alleen nog maar, dat scheelt. Binnen (mondkapje op, aub – ha, ik heb er twee!) pin ik een euro (hé, 50 cent duurder hier) en die mik ik in die spanningspomp. Ik besluit dat 2.0 een mooie spanning lijkt. Overal om me heen staan vrachtwagens en bestelbussen met bestuurders die even een broodje eten. Ik stel 2.0 in (ik heb iemand zoiets zien doen dus ik denk dat het zo moet) kniel bij de wielen, draai de dopjes van de ventielen, zet de pomp erop en trek hem eraf als de pomppaal gaat piepen. Eitje. Het lukt bij drie wielen. Mijn knieen kraken en mijn handen zijn pikzwart maar IK KAN HET. Alleen het vierde dopje zit muurvast. Ik probeer het met tissue, ik probeer het links en recht maar er zit geen beweging in.

WAAR ZIJN MIJN MANNEN NU IK ZE NODIG HEB? BOEWAH !!! 😩

In de bestelbus achter me zit een jongen met blozende wangen een gezond bruin broodje te eten. Ach, hij heeft even pauze en nu kom ik blond… nee, grijs tegen hem doen. “Heb jij gereedschap? Kun je me helpen het dopje van het ventiel te draaien alsjeblieft en sorry dat ik je stoor in je pauze.”De jongen lacht lief. Hij stapt uit, hurkt en draait het dopje los. Alsof het niks is. En hij geeft nog wat nuttige tips die ik, nu ik dit typ, alweer vergeten lijk te zijn. Het lukt me. Ik pomp de laatste band op. Het is voorbij. Gehurkt op straat was ik mijn handen in een plas regenwater. Terug in de auto brandt het lampje nog steeds. Wat nou weer? Ik rijd terug naar de leasemaatschappij. Daar is een andere jongeman die wel even wil laten zien hoe ik dat lampje kan uitzetten. “En het moest spanningsstand 2.3 zijn,” zegt hij. “En hier zit die sticker waar dat op staat.” (Hoezo? Mijn auto is heus niet zwaar beladen, hoor, alleen ikke zit erin!) En hij wijst bij mijn autodeur. Weer wat geleerd. IK KON HET. IK KON HET. Mijn jas is doorweekt. Er zit modder aan mijn broek, mijn handen zijn nog steeds pikzwart en ik heb al met al een half uur oponthoud gehad. Ik weet nog toen ik nog op het dorp woonde. De garagehouder in zijn kleine garage en zijn overall, die zijn handen afveegde aan een lap en zei: “Ik kijk wel even voor je, Selma, is zo gefixt.”

Ik wil die goeie ouwe tijd. Ik wil niet alles kunnen. Ik wil het tuinpad van mijn vader en gezichten op het behang maar niet echt van binnen bang. Het HIER en NU is gewoon teveel. Teveel gevraagd. Natuurlijk huil ik niet hoewel mijn bandenspanning nu even veel te hoog aanvoelt. Thuis was ik mijn handen en zet mijn laptop klaar. Ik stop nog meer mondkapjes en nu ook munten van 50 cent en één euro bij de spullen in mijn boekenmand. Tegenslag ligt overal op de loer.

Ja ja – er zijn ergere dingen. Tuurlijk. Weet ik toch.