Miep Diekmann ontmoette ik in 1979 op de school waar ik stage liep. Ik mocht haar ‘een verhaal’ toesturen. Dat deed ik en dat was meteen mijn eerste boek.

Miep vroeg mij bij haar thuis te komen zodat ze me kon helpen het verhaal netjes als een manuscript te typen. Ik reisde voor het eerst alleen met de trein en betrad een voor mij totaal onbekende wereld toen ik bij haar over de drempel stapte en ze me vroeg of ik ‘een sherry’ wilde. Giechelen ging niet, daar in mijn eentje met niemand die begreep hoe raar dat was. Ik voelde me vreselijk onwerelds en verloren in een omgeving waar ik geen grip op had. Ik sprak dezelfde taal als Miep, zo leek het, maar ik ‘verstond’ haar niet.

Toch zijn veel van Mieps opvattingen, die altijd sterk en zeer uitgesproken waren, me bij gebleven en na verloop van tijd kreeg ik een referentiekader waarin ik ze kon plaatsen.  Soms moet ik weer denken aan wat zij me indertijd probeerde bij te brengen. Miep had in 1978 de Gouden Griffel gekregen voor het boekje Wielewielestap dat zij had geschreven voor peuters en kleuters, met illustraties van The Tjong King. Ik hoor het haar nog gepassioneerd zeggen – hoe bijzonder het was dat een boekje voor zulke jonge kinderen de Gouden Griffel kreeg, want: “Kind, ze bekronen bijna altijd boeken die ze zelf nog wel leuk vinden; boeken voor oudere kinderen. Zich inleven in een peuter of kleuter doen ze niet als ze een boek beoordelen. En dat zouden ze wel moeten doen. Kijk nou eens naar het smoeltje van zo’n kind als je voorleest. Komt het over wat er in het boek staat? Kan die kleine er iets mee? Moet die uk erover nadenken en gaat ie erover aan het praten? Zo moet je naar een boek voor peuters of kleuters kijken. Maar die recensenten en al die lui die meningen vormen over boeken, denken vanuit hun eigen leeftijd en ervaring. Nou ja, meid, je zal ’t allemaal nog wel meemaken.”

Onlangs kwam mijn boek “Stiefkind”, een jeugdroman, uit. En het viel me meteen op dat mensen dan pas vinden dat ik ‘echt’ schrijf. Een ‘echt’ boek. En dát zit mij nou ‘echt’ niet lekker. Want mijn boeken voor kleuters, daar ben ik net zo trots op. Vier grote voorleesboeken die er prachtig uitzien en veel (groot)ouders, leerkrachten en kinderen stof tot nadenken geven. Ik heb veel contact met mijn lezers en ze vertellen mij dat de boeken deel uitmaken van de dagelijkse wereld van hun kinderen en henzelf, en dat de kinderen zichzelf en situaties herkennen in de boeken en daarover praten. (Net zoals Roel, mama, die deed dat ook, hè!)

Dat is mooi. Dat is heel mooi. En het is raar dat mensen uit het vak doen alsof schrijven voor (heel) jonge kinderen niets voorstelt. Ik ben vandaag begonnen met een nieuw ‘groot’ voorleesboek over Roel en Noor. Het vijfde. En Tineke van der Stelt gaat er weer haar mooie sfeervolle tekeningen in maken. En voor de mensen die vinden dat dit schrijven niet veel voorstelt, stel ik dit voor: Neem een kind op schoot, lees het kind voor uit een van deze boeken. Laat het kind bekend raken met Roel en Noor. Zie wat de verhaaltjes voor dit kind betekenen. Observeer het proces van het omzetten van taal naar (ver)beeld(ing) op het geconcentreerde snoetje. En oordeel dan pas. Want ik schrijf niet voor jullie. Maar voor jullie kinderen, en voor de kinderen die jullie eens waren – en nu achteloos verloochenen.

Hoe is het mogelijk dat in een maatschappij waarin wij beweren onze kinderen toch serieus te nemen, dat mensen die met kinderen werken, leerkrachten en kinderboekenschrijvers bijvoorbeeld, weggezet worden als infantiel en minderwaardig aan hen die met en/of voor volwassenen werken?

Advertenties