IMG_0889Vandaag was ik, peinzend over alle eigenaardigheden van mijn werk, neerslachtig gestemd, dus ik vond dat ik toe was aan troost. In de garage staan, hoog in een van de rekken tussen de rest van de voorraad, een paar pakken soep die ik heb gekocht toen ze 3 voor de prijs van 2 waren voor dagen dat ik troost zou behoeven. Ik ging een pak erwtensoep halen en leegde hem in het steelpannetje. Gas aan, kommetje klaarzetten. Zo. Intussen keek ik door het raam naar de verregende herfsttuin. Gisterenavond kiepte de timmerman van het dorp een stapel afvalhout voorin. Wij mogen dat altijd hebben voor onze houtkachel. Op de een of andere manier weet de goede man het wel altijd zo te timen dat hij het neergooit op dagen dat het hoost van de regen. En dat hout van hem is nu juist zo prachtig droog. Maar goed, ik weet – een gegeven paard mag men niet in de bek kijken. En we zijn er blij mee.

Ik ga het stapelen, besloot ik, omdat het plotseling ophield met regenen en de zon even achter een wolk vandaan kwam, en omdat buitenlucht en hard werk helpen tegen neerslachtigheid. Want dan DOE je iets. Ik trok een dik jas-vest van een van mijn zoons aan en begon ijverig hout te rapen, naar het houthok te dragen en op te stapelen. Mijn zorgelijk peinzen ging geleidelijk over in oplettend kijken. Er zat van allerlei hout bij.  Stukken dakrand, stukken tafelpoot, afdeklatjes, sierlatjes, blokken, palen, kozijnen, alles in stukjes en soms met potlood beschreven in geheime timmermansformules. Ik ken dat potlood, zo’n echt timmermanspotlood dat je met een aardappelmesje moet slijpen. Ik ken de man. Wat krom, versleten knieën, met kinderen en bijbehorende verhalen zoals een eind-zestiger levensverhalen heeft. Verschillende keren heeft hij allerlei klussen in ons huis gedaan. Dan stond hij zwoegend in de tuin te zagen, en soms, als hij het niet merkte, stak zijn tong daarbij uit zijn mond. Dan zag je even het kind dat hij eens was. Toen ik alle hout opgestapeld had veegde ik het achtergebleven zaagsel op. En strekte ik mijn rug. En begon ik walnoten uit het gras te rapen. En zag ik iets liggen dat ik uit de verte herkende als een vrij groot diertje  (anders dan een vogel) en begon er naartoe te lopen… En toen schoot me die soep te binnen.

Ik rende naar binnen, trapte mijn klompen uit, en rende de met rook gevulde kamer in op het moment dat het brandalarm begon te loeien. Eerst de zwarte pan van het gas en naar buiten. Ramen open, deuren wijd open, en toen naar boven roepen, naar de zoons: “Hoorden jullie het brandalarm niet?”

Laconiek antwoord: “Ja, nou?  Jij bent toch beneden.” Mijn andere zoon sliep in vol vertrouwen de slaap der onschuldigen.

Wakkere zoon lesje brandalarm gegeven. Terug de tuin in. Naar het diertje gaan kijken dat onbeschermd midden op het gras lag in de inmiddels weer met bakken uit de lucht komende regen. Dood egeltje. Shit. Dood egeltje geaaid en ertegen gepraat. Dood egeltje bewoog! Oe! Egeltje leefde nog. Gauw in doos, warm, blaadjes en dennennaalden en kattenbrokjes. Toe maar, kleintje.

Zwarte pan binnen gehaald en onder kraan gezet.

Egeltje ligt nog stil in doos onder dekentje en warme lamp. Wind en regen slaan het huis binnen maar de brandlucht moet eruit en ik heb immers de vestjas aan. Nee, een dropje haalt het niet bij erwtensoep maar nu ga ik thee zetten en  ‘koude natte egeltjes’ googelen , dat troost ook.

IMG_0888

Advertenties