Toch nog een keer een kinderboekenschrijfster in de Lokhorstkerk in Leiden

Gisteren speelde ik gids in Leiden. Met in de hand het boekje “Eet mijn arm maar op!”  – (Leiden voor kinderen, twee stadswandelingen) dat ik elf jaar geleden schreef (en nu veelvuldig raadpleegde om jaartallen en feiten in terug te vinden) ging ik voorop de stad door. Achter mij een flinke groep kennissen en vrienden van de ‘conditieclub’ waarvan ik al meer dan een tiental jaren lid ben. Elke zaterdagochtend om acht uur treden we vol goeie moed aan in de gymzaal hier op het dorp, en zoiets excentrieks schept een band. We grijpen dan ook veel gelegenheden aan om samen te eten of iets te ondernemen. In dit geval: een bezoek (met eten en drinken) aan Leiden, de stad die 10 kilometer hier vandaan ligt en waar ik geboren en getogen ben. Een bont gezelschap is het, die conditieclub van mij, mannen en vrouwen met ver uiteenlopende talenten en interesses. Zo bleek een van de leden de sleutel van de Lokhorstkerk bij zich te hebben. En mijn stadswandeling leidde langs de kerk. Of we even naar binnen wilden. Jazeker! Natuurlijk!

De Lokhorstkerk is een verborgen (want vroeger verboden) kerk. Aan de voorkant lijkt het een woonhuis, eenmaal binnen en een portaaltje doorgelopen, openen zich deuren naar een heuse hoge kerkruimte, ruikend naar hout, stof en boenwas, met hoge ramen en een prachtig orgel. Veel kinderboekenschrijvers en vakgenoten kennen deze kerk. Het is de kerk waar de AMG-Schmidtlezingen werden gehouden, de laatste keer, ter afsluiting, door Ted van Lieshout. Ik heb me daar, zittend en luisterend, weleens afgevraagd waar ik het over zou hebben zou ik zo’n lezing verzorgen. Hoe zou het zijn om daar achter de microfoon te staan. Wat zou ik kwijt willen over het vak dat mijn leven vult en vorm heeft gegeven?

Nu betrad ik een beetje bevreemd plotseling de ruimte met mijn conditieclubgenoten. Het was er stil en stoffig en wat ontzield. Geen Toin Duyx, geen Helma van Lierop, geen vakgenoten en studenten met glaasjes wijn en sap in de voorkamer. Een paar mensen keken verwonderd in de kerkruimte rond en gingen even in de kerkbanken zitten. Nu hadden wij een zeer begenadigd organist bij ons, en naar bleek, zelfs nog een. De heren beklommen de trap, trokken alle registers open en speelden een prachtimprovisatie, en mijn lievelingschanson (toeval, maar toch)! Beneden luisterde de rest van de groep. Bekende klanken, wanklanken, wanhoopsklanken hoorde ik al eerder in de Lokhorstkerk. Maar orgelklanken had ik hier nog niet gehoord. Niemand van de kinderboekenschrijvers bracht tot nu toe een organist in de kerk. Maar ik nu wel. Ha! Twee zelfs.

De klanken stierven weg. De registers gingen weer dicht. Beneden beklom ik triomfantelijk het spreekgestoelte (neem altijd een kans waar als deze zich voordoet) en vertelde verder over de stadswandeling; wat zouden we nog gaan zien en waar gingen we nog heen. Ik legde mijn handen op het hout en hoorde de krachtige galm van mijn stem de ruimte vullen. Het was terecht.

Het orgel kraakte nog wat na. Het stof legde zich terug in de zonnevlekken op de kaalgelopen vloer. Ik zag het jongetje Pol uit mijn Pol en Lot-boeken even als een schim tussen de kerkbankjes naar het orgel lopen. Een stofglinstering in mijn oog was hij. Misschien niet zichtbaar voor een ander. Maar ik zag hem. Hij hangt daar altijd rond bij het orgel. Als de AMG Schmidtlezingen afgelopen zijn, rent hij naar boven en speelt hij erop. Een beetje zacht nog, en aftastend. Pas als hij weet dat iedereen weg is, trekt hij alle registers open.

De sleutelbewaarder sloot de deur. Het waaide hard. Ik ging weer voorop en liet mijn kleine Pol achter, binnen. Zo gaat dat. Op sommige plaatsen laat je stukjes van jezelf achter. Tenminste. Ik wel.

Advertenties