Zolang ik me kan herinneren was ik op zoek naar ‘leermeesters’ (v/m) die ik naarstig zocht op de plaats waar ik toegang toe had: de bibliotheek. Ik opende een boek en de stemmen van schrijvers en romanfiguren begonnen te spreken, soms rechtstreeks tegen mij, het gretig lezende meisje. Beelden vormden zich voor mijn geestesoog, werelden openden zich, geuren dreven de wereld van mijn verbeelding binnen en ik hoorde regen ruisen, vogels tjirpen, het geluid van een stoomtrein of van koetsen op de kasseien. Vrouwen, mannen, jong en oud, zij vertelden hun verhalen aan mij.  Ik kende bundels korte verhalen, romans en biografieën en was rond mijn 16e nog steeds gek van kinderboeken, maar ook van sciencefiction en van de dikke, klassiek vormgegeven boeken van de grote Russische schrijvers. Nederlandse literatuur was ik nog niet aan toe. Dan kwam pas toen ik rond de 25 was. Theoretische (leer)boeken kende ik niet.

Toen ik op mijn zestiende in Leiden naar de Haanstra Kweekschool voor Kleuterleidsters ging, moest ik het leerboek Psychologie van de schrijvers Duijker en Dudink aanschaffen. De lerares psychologie gaf  ons eerste huiswerk op: ‘Lees het hoofdstuk over de puberteit’. Ik vond het heel moeilijk een boek te lezen dat niet verhalend was. Ik begon opnieuw en opnieuw en worstelde me door zinnen en alinea’s die niets leken te betekenen en waarbij ik geen ‘beelden’ kreeg. Ik voelde me wanhopig. Ik wist niet dat lezen zo moeilijk kon zijn, en dikke boeken zo akelig saai.  Maar met moed der wanhoop ging ik door, en uiteindelijk lukte het me nieuwe begrippen uit de abstracte taalbrei te zeven. Als eerste de ‘aha-erlebnis’ en ‘ambivalentie’.  ‘Ambivalentie’, zei ik tegen mezelf. ‘Aha! Dát voel ik dus over zoveel.’ Daarna kwam de schaamte omdat ik een puber volgens het boekje bleek te zijn. Ik vertoonde alle symptomen als beschreven in Duijker en Dudink, zoals we het boek noemden. Dit onder ogen ziend genas ik prompt van de puberale veronderstelling unieker dan leeftijdgenoten te zijn en nam me voor me volwassener te gaan gedragen (ik laat hierbij in het midden of dat lukte). In elk geval was dat ongetwijfeld de bedoeling van die psychologielerares.

Deze terugblik komt door het woord ‘ambivalentie’ in de titel van deze blogs. Aan de ene kant het gevoel dat kleuterleidster zijn leuk is, zinvol, en een uitdaging. Dat het me scherp zal houden, mijn schrijven wellicht ten goede zal komen. Dat ik als juf veel kanten van de zaak zie: de ouders, de kinderen, het moderne (of juist niet) onderwijs, het dorpsleven, opgroeien en opvoeden in dit tijdsgewricht, gezinsperikelen…  De realiteit, de liefde, de chaos, de frustraties. En aan de andere kant het gevoel dat kleuterleidster zijn te moeilijk is, te uitputtend, fysiek en mentaal te zwaar (het lawaai, de chaos soms, de voortdurende vraag om aandacht, het er alleen voor staan tussen al die kleintjes, de verantwoordelijkheid, de onmacht, etc.). Dat ik gek ben om mijn veilige, serene, door mijn prachtige tuin omgeven huis te verlaten.

Ambivalentie:  Als ik moet schrijven geloof ik dat het simpeler is het leven praktisch te leven dan erover te schrijven. Als ik het leven praktisch leef geloof ik dat ik gezegend ben als ik er slechts over te schrijven hoef.

Advertenties