Vanmorgen hoorde ik het zingen van de ketel
Het was een kreunend onbestemd soort lied
IJl jammerden daarbinnen watergeesten
Sinds mijn kindertijd hoorde ik ze niet

Komt het door man en zonen en de radio
Hun gestamp en het nieuws van alle dag
Hun afkeer van de bron, de stilte en de traagte
Dat ik pas nu weer watergeesten horen mag?

Ik buig mij over het suizend gas en voel de warmte
herinner me woorden die ik toen vast ergens las
“moe luisterden zij naar het zingen van de ketel” denk
dat ’t Lindgren, Grimm of Piggelmee of zoiets was.

Selma Noort

Advertenties