PERSBERICHT

Officiële opening Nationale Kunstdagen door Jan des Bouvrie

De Nationale Kunstdagen vinden op 12 en 13 november 2016 voor de zevende keer plaats. Tijdens deze professionele kunstbeurs exposeren kunstenaars hun werk zonder tussenkomst van galeries aan kunstkopers en -liefhebbers. De beurs wordt op zaterdag 12 november om 11.00 uur officieel geopend door Jan des Bouvrie.

Jan des Bouvrie is al enkele jaren ambassadeur van Stichting Kunstweek, de organisator van de beurs. Over het antwoord op de vraag of hij de officiële opening van de Nationale Kunstdagen wilde verrichten, hoefde hij niet lang na te denken.

Tijdens de beurs exposeren meer dan 200 kunstenaars, die door het publiek en deskundigen hoog worden gewaardeerd. Onder andere exposeert schrijfster en beeldend kunstenaar Selma Noort met haar figuratieve olieverfschilderijen enkele werken tijdens de beurs in Rotterdam Ahoy. Bezoekers kunnen in november genieten van bijna 1.500 kunstwerken, bijna elke kunstvorm is vertegenwoordigd: schilderijen, keramiek, tekeningen, fotografie, bronzen beelden, houten objecten, sieraden en nog veel meer disciplines worden geëxposeerd en te koop aangeboden door de makers van de kunstwerken zelf.

Jaarboek Kunstenaars
De opening van de Nationale Kunstdagen gaat gepaard met de eerste overhandiging van het dan net verschenen Jaarboek Kunstenaars 2017: het Jaarboek toont realistische en abstracte kunst, schilderijen en beelden van bekende Nederlandse kunstenaars en van jong talent. Door de omvang en samenstelling is het Jaarboek een referentie en naslagboek, waarbij alfabetische en geografische registers het vinden van een kunstenaar gemakkelijk maakt.

Toegangskaarten voor de beurs zijn met grote korting in de voorverkoop verkrijgbaar via de website van de Nationale Kunstdagen: www.kunstdagen.nl.

————————————————————————————————————————-

Charlie and Charlie, 70/100 cm, olie op doekClaudette, olie op doek, 50/60 cm

Nieuwjaarskans:

Ik had zin om het nieuwe jaar met iets onverwachts te beginnen, en zette daarom een foto van mijn schilderij “Model” op FB en twitter. Ik schreef erbij dat: a) wie het mooi vond, b) het wilde hebben, c) er thuis plek voor had – een motivatie kon schrijven. De nieuwjaarskans. Aan de hand van die motivaties zou ik dan beslissen aan wie ik dit grote schilderij (70 bij 100 cm, olie op doek, twv  €1400,00) zou gunnen.

Mensen kregen een ruime week om te reageren. Ik vroeg hen ook om de oproep te delen en/of te retweeten zodat zoveel mogelijk mensen kans kregen om mee te dingen. Op FB kwamen al snel reacties binnen en werd er ijverig (doch soms met een gezonde tegenzin, want immers meer concurrentie) gedeeld. Ook op twitter begonnen de reacties binnen te komen en werd mijn oproep herhaaldelijk geretweet.

Een paar zaken vielen mij onmiddellijk op. Veel meer mensen dan ik had kunnen vermoeden hadden moeite om te verwoorden wat hen aantrok aan het schilderij. De heldere kleuren werden veelvuldig geroemd, maar velen liepen daarna vast. “Het zou mooi staan bij mij in de kamer / op mijn kale muur / in mijn nieuwe huis / ik zou er heel erg blij mee zijn” was dan nog een hoopvol toevoegsel, en daar bleef het vaak bij. Mijn schrijvende collega’s hadden minder moeite met het verwoorden. En veel jonge mensen die vaak niet meer hoeven verwoorden omdat ze nu immers altijd beschikking hebben over het delen van beelden, hielden het bij beeld: een selfie (dit ben ik voor mijn kale muur), een foto van een (kleurrijke) kamer waar het schilderij echt heel mooi zou staan, een foto van het huis in aanbouw waar het schilderij mooi zou staan, etc.

Ik vroeg mij, telkens weer nieuwe reacties lezend, af of mensen in 1800 of begin vorige eeuw zich beter konden uitdrukken omdat beschrijven in die tijd noodzakelijk was? Was hun vocabulaire uitgebreider, genuanceerder, poetischer? De bijbel bijvoorbeeld, is nu aangepast aan modern taalgebruik. Dit betekent dat al die prachtige woorden en die rijke taal die ik met de paplepel ingegoten kreeg, en die veelal al alleen nog maar passief bekend waren, nu helemaal uit onze taal verdwijnen.

Kunnen we nog wel beschrijven wat we zien, meemaken, voelen en willen? Zoals vroeger in brieven aan elkaar? Of kunnen nu alleen schrijvers e.d. nog beschrijven omdat de noodzaak tot beschrijven steeds meer verdwijnt? We hoeven zelfs niet meer op een ansicht onze vakantie te beschrijven aan het thuisfront, we eten gewoon een ijsje ergers waar er WIFI is, en appen daarvandaan een fotootje of tien naar het thuisfront. Zien en meemaken kun je dus aardig op beeld vastleggen.Woorden zijn dan erg veel werk. En die mens kiest bij voorkeur nu eenmaal de makkelijkste en de kortste weg van A naar B.

Maar wat je voelt of wilt, dat zul je toch moeten beschrijven. Als je daar geen woorden meer voor hebt, dan loop je lelijk vast in het leven. Daar is namelijk geen snel fotograferend mobieltje voor uitgerust. En zien we niet steeds meer mensen vastlopen in dit leven omdat ze het middel van de taal (dus discussie) niet meer tot hun beschikking hebben?

Er is vast wel onderzoek gedaan naar het verschil tussen taalgebruik in de vorige eeuw(en) en nu. Ik denk bijvoorbeeld dat de mensen van nu (onder de veertig) veel minder woorden kennen dan de ouderen, en dat de jeugd van nu er nog minder kent. Hoe verhoudt het beschikbare vocabulaire van tegenwoordig zich tot dat van iemand uit, bijv.,  de middenklasse uit de vorige eeuw?

Als je meer van mijn schilderijen wilt zien, kijk dan op www.selmanoort-art.nl.

IMG_2220

Loes Hazelaar kwam het schilderij “Model” afgelopen week ophalen in mijn atelier.

 

 

IMG_1553Op 27 juni, afgelopen zomer, schreef ik het blog “Er ontbrak iets op het CPNB feest” over o.a. het Marokkaanse meisje Ouahiba:  https://selmanoort.wordpress.com/2014/06/27/er-ontbrak-iets-op-het-cpnb-feest/

Ik kreeg via FB, twitter en de mail veel reacties op dit blog. Er was zelfs iemand die naar het nummer van een bankrekening vroeg om geld te storten zodat het boekje over Ouahiba er zou kunnen komen. Ook reageerden er mensen met uiteenlopende suggesties om dit boekje op de markt te krijgen, waaronder twee uitgevers. Eén van die uitgevers had het boekje weliswaar kunnen maken, maar had geen toegang tot de kanalen waardoor ik het graag verspreid zou zien. Want ik wil het niet alleen maar gedrukt hebben, ik wil het GELEZEN hebben. Ik wil dat Ouahiba’s verhaal overal in Nederland op basisscholen en in bibliotheken binnenkomt, gewoon tussen de andere boeken waar het thuishoort. Zodat zoveel mogelijk kinderen het tegenkomen en ervoor kunnen kiezen om het te lezen.

Hoe kon ik dit voor elkaar krijgen? Tja, als het gratis in de kinderboekenweek zou worden verspreid of zoiets.  Nou ja, keep on dreaming, Selma. Maar er was nog die tweede uitgever. Die had ik zelf in eerste instantie niet benaderd omdat ik ervan uitging dat dit boek niet in het fonds zou passen…

Maar tijden veranderen, en mensen veranderen mee. Het was en is heel moeilijk in het boekenvak. En terwijl er veel financieel veilige keuzes (moeten) worden gemaakt, soms ten koste van kwaliteit en diversiteit, zijn er ook mensen die opstaan en zeggen: Ik ga ervoor. Omdat sommige dingen gezegd moeten worden, en sommige verhalen gehoord moeten worden.

En zo is het gegaan. Chapeau! Ik verklap deze uitgever nog niet. Maar het verhaal van Ouahiba gaat er komen. En dat is in deze tijd mooi en hartverwarmend nieuws!

Hieronder nog een klein stukje van Ouahiba’s (8 jaar) verhaal (zij is in de bibliotheek):

“Ik denk iets moeilijks.
Ik sta daar stil met dat boek.
Ik hoor en ik zie niks meer.
Dit is wat ik denk:
Maan en Sterre staan in een boek.
Dus ik, Ouahiba, weet dat ze bestaan.
Maar ik, Ouahiba, sta nooit in een boek.
Hoe weten die Maan en Sterre nu dat IK besta?
En al de andere AVI-kinderen:
Bas, Mo en Jip.
Wendie, Pien en Els.
Daarom schrijf ik dit op in dit boek:
Ik, Ouahiba, besta.
Niet bij jou in de straat misschien.
Maar ergens anders.
Ik, Ouahiba, besta.”

IMG_1910WATERSNOODRAMP 1953, KRUININGEN

De laatste weken ben ik heel intensief bezig geweest met het plaatsje Kruiningen, in Zeeland, en met de watersnoodramp van 1953. Ik heb erover gelezen, met mensen over gesproken, over gegoogeld, en ben naar het watersnoodmuseum geweest. Ik heb foto’s bekeken, opstellen van kinderen uit 1953 gelezen en kende zelfs straatnamen en namen van gebouwen daar. Mijn vriendin Lia Soeting woonde vroeger in Kruiningen en maakte als 8-jarig meisje de watersnoodramp mee. Door de verhalen die ze me erover vertelde besloot ik een boek* te schrijven over de watersnood gezien door de ogen van een 8-jarig meisje. Wekenlang zag ik al schrijvend voor mijn geestesoog eb en vloed in het overstroomde dorp, de mensen, de dieren, de duisternis. Ik hoorde hoe koud het was, hoe de geluiden klonken, hoe de weinige bootjes die eerst kwamen vastliepen op obstakels in de straten. Het vreselijke geloei van de koeien die verdronken, en het door merg en been gaand geroep van mensen die elkaar kwijt waren geraakt, en van mensen in doodsangst en doodsnood. Ik las de namen van hen die omgekomen waren keer op keer, en bekeek de foto’s zo intens dat de beelden op mijn netvlies gegrift staan.

Gisteren kwam ik terug van een tweedaags bezoek aan scholen in Zeeuws-Vlaanderen. In een groep 6 las ik voor uit mijn manuscript. De reactie van de kinderen en de leerkracht was prachtig. Ze waren doodstil en ik zag in hun ogen dat zij in hun verbeelding zagen wat ik met woorden probeerde te schilderen: Kruiningen, 31 januari 1953, en een klein meisje van 8 jaar met haar zusje en broertje en haar papa en mama.

Op weg naar huis reed ik Kruiningen binnen. Ik was er niet eerder geweest. Meteen herkende ik met een schok vanaf de Rijksweg het uitzicht op het dorp. Hier, precies hier, komt Liesje uit mijn boek eindelijk weer op het droge, zoals ik zag op foto’s uit 1953. En nu stond stond ik daar! Ik reed naar het dorpscentrum en stapte daar uit mijn auto. Het waaide hard en het begon te regenen en dat leek alleen maar zo te horen voor dit bezoek. Daar stond De Korenbeurs uit mijn boek, en daar Avondlicht, het bejaardenhuis. Daar de kerk. En hier was de markt. Dit stuk van Kruiningen, daar speelt de tweede helft van mijn boek zich af.

Ik ging de Korenbeurs in, een soort bruin café nu, en nam plaats aan de bar. Ik voelde me Carmiggelt. Ik zit dus echt nóóit aan een bar en kom al helemaal nooit in café’s. Maar nu dus wel. Ik bestelde weliswaar geen pilsje, maar toch stoer een tomatensoep. De dame achter de tap kon me niet veel informatie verstrekken. Ze was geen geboren en getogen Kruiningse. Maar toen de soep op was wist ik waar tegenwoordig het bejaardenhuis was en liep ik daarheen.

Daarbinnen praatte ik met een mevrouw die de watersnood in Kruiningen als 16-jarig meisje meemaakte. Op haar gezicht zag ik alle emoties die ik in mijn boek al had geprobeerd te beschrijven. Ik vond het moeilijk om haar niet te omhelzen en te troosten. Het voelde gespleten om zo met 1953 bezig te zijn terwijl alles al zo lang geleden is. Maar de herinneringen zijn nog springlevend, en het is nog niet lang geleden dat de mensen in Kruiningen eindelijk over hun ervaringen uit die tijd konden en begonnen te praten. Helemaal bijzonder was het dat deze lieve mevrouw vroeger gymles had van de vader van Liesje, mijn hoofdpersoon, en dat zij uitriep: “O, dat was ‘n heel lieve man!” Want zo heb ik hem ook geschreven.

Ik mocht ook binnen kijken in het voormalig bejaardenhuis Avondlicht, waar de tweede helft van mijn boek zich afspeelt. Het was raar om daarna zo alleen en in een soort vacuüm van tijd in de regen en de wind daar door dat stille dorp te lopen. Al die weken had ik deze straten voor me gezien, de taal gehoord, de storm, de regen, het water. En nu liep ik er. Het was alsof ik door mijn eigen boek doolde, zoals in ‘Hart van inkt”, het boek van Cornelia Funke.

Misschien is dat wat schrijvers doen, een persoonsverwisseling ondergaan. Het voelde alsof ik terugkwam waar ik als achtjarig meisje was geweest.

Want ik was nooit eerder echt in Kruiningen, en in 1953 was ik nog niet geboren.

* Het boek: “De zee kwam door de brievenbus” verschijnt zomer 2015 bij uitgeverij Leopold, met illustraties van de Zeeuwse illustrator Martijn van der Linden. In de kinderboekenweek lees ik woensdagmiddag 8 oktober voor uit het manuscript bij boekhandel De Koperen Tuin, in Goes.

 

 

 

Ik kon toch iets bijdragen…

Schilderij “Tulpen”, olie op doek, 100/140 cm.

Onlangs ontving ik weer een magazine van Hospice Issoria, Leiden, omdat wij in het adresbestand hiervan zitten. Dit komt omdat het initiatief voor dit hospice jaren geleden is genomen door o.a. mijn buren en hun gezinsleden. Het initiatief is inmiddels uitgegroeid tot een zeer professionele organisatie en er is een nieuw  pand. Ik ken het nieuwe pand. Het staat aan de Burggravenlaan, nummer 11, is groot en mooi en ligt in een prachtige tuin. Vroeger was ertegenover het sportveld van mijn middelbare school aan de Hoge Rijndijk. Vaak vroeg ik me vroeger af wie er in dat mooie huis in die tuin woonde, of het een heel rijke familie was. Dan droomde ik ervan in zo’n soort huis te wonen en er een schrijfkamer te hebben. En als ik dan even geen inspiratie had, zou ik de bloementuin in lopen…

Nu zit er dus een hospice in het pand, en dat is helemaal goed. Ik woon inmiddels in mijn eigen droomhuis, gelukkig een stuk kleiner, maar echt met schrijf- en schilderkamer, en met een (bloemen)tuin. Ik bladerde het magazine door en natuurlijk stond er ergens ook de bescheiden vraag voor inzet of een bijdragen voor wie dit zich kan veroorloven.  Ik dacht aan het nieuwe onderkomen, aan het goede doel, en aan mijn beperkte middelen. Maar… natuurlijk kon ik iets bijdragen! Een schilderij!

Contact werd gelegd.  Gisteren ging ik het schilderij ophangen, kreeg ik een rondleiding door het mooie pand (1920) en herinnerde ik me weer levendig hoe het was om vijftien te zijn en op het sportveld te staan dromen. Het hospice is prachtig en het is prachtig dat er een hospice is. Mijn schilderij hangt in de gastvrije woonkeuken en zo is er toch een stukje van mij in het huis van mijn jeugddromen terecht gekomen.

Een stukje kleur, droom, bezieling – het voelt goed om iets waarvan ik meer dan genoeg heb, te hebben kunnen bijdragen aan het Leidse Hospice Issoria.

Voor wie meer van mijn schilderwerk wil bekijken: http://www.selmanoort-art.nl

 

 

 

 

 

 

 

Selma Noort met leerling Aliyana van El Kadishia op het toneelGisteren was de bekendmaking van de Griffels en Vlag-en-Wimpels bij Roest, in Amsterdam. Het CPNB vertoonde een powerpoint van alle kinderboeken-hoogtepunten van het jaar en bedankte iedereen die werkzaam was in het vak. Ik vond het een blij en positief filmpje om te zien. Maar ik miste een groot hoogtepunt van het jaar – het feest ter afsluiting van het vierde Schoolschrijverseizoen in de Kleine Komedie. Het publiek daar vond ik niet terug in de CPNB powerpoint want als er in de Kleine Komedie tien blonde koppies tussen zaten was dat het wel. Maar er waren daar auteurs die een grote inspanning hadden geleverd, en veel vrolijke staartjes, vlechtjes, voetballertjes, hoofddoekjes, branies, giecheltjes, dromers en opscheppertjes. En ze lazen allemaal, CPNB, kinderboeken! Want de schoolschrijver was geweest.

Afgelopen zomer schreef ik een boek voor beginnende lezers over een kind zoals ik die als Schoolschrijver had leren kennen. Een klein meisje met een hoofddoekje om. Een Marokkaans meisje. Ze is niet, zoals in veel kinderboeken nu, een bijpersoon. Ze doet niet een beetje mee in de kantlijn. Ze is geen onderdeel van een groepje uit een klas. Ze wordt er niet aan de haren bijgesleept. Nee, dit meisje is de hoofdpersoon. Ze spreekt rechtuit tegen alle kinderen in Nederland. En haar naam is moeilijk; nu eens geen Jasmine (of jongen: Mo). Ze heet Ouahiba. (Wèhiebè).

Ik ben een meisje.
Jij kent mij niet.
Weet je waarom niet?
Je leest mij niet.
Ik heb geen niveau.
Geen AVI-niveau.
Bas, Pien en Jip wel.
Ik wil ook meedoen.
Maar het mag niet.

Ouahiba moet met haar mama naar de bibliotheek van de juf, want dat is goed voor haar taal. Op school heeft Ouahiba een boek over een meisje dat Maan heet…

Ik zoek tussen de boeken.
Er zijn AVI-boeken.
Maar ook gewone boeken.
Boeken voor kinderen die zonder AVI durven.
Ik pak zo’n boek.
Het gaat over een meisje.
Ha-ha, het meisje heet Sterre!
Nu heb ik op school een boek over Maan.
En hier een boek over Sterre.
Zulke meisjes bestaan.
Niet bij mij in de straat.
Maar ze bestaan.
Want ze staan in boeken.

Ik denk iets moeilijks.
Ik sta daar stil met dat boek.
Ik hoor en ik zie niks meer.
Dit is wat ik denk:
Maan en Sterre staan in een boek.
Dus ik, Ouahiba, weet dat ze bestaan.
Maar ik, Ouahiba, sta nooit in een boek.
Hoe weten Maan en Sterre nu dat IK besta?
En al die AVI-kinderen:
Bas, Mo en Jip.
Wendie, Pien en Els.
Daarom schrijf ik dit op in dit boek:
Ik, Ouahiba, besta.
Niet bij jou in de straat misschien.
Maar ergens anders.
Ik, Ouahiba, besta.

De kinderen van groep vijf van de Islamitische Basisschool El Kadisia hebben het verhaal van Ouahiba voorgelezen van het digibord voor de juf en voor mij. Ze waren ernstig en gegrepen, bijna betoverd. En ik moest vechten tegen mijn tranen. Ouahiba leert in dit boekje haar moeder lezen.

‘Wie van jullie kent iemand die niet kan lezen?’ Meer dan de helft van de kinderen kende zo iemand, of zelfs meerdere mensen. Als de kinderen een verhaal schreven, schreven ze een verhaal over een jongetje of meisje dat Bas heet, of Pien, of Wendie. Maar nooit over een Ouahiba en helemaal nooit konden ze bedenken dat iemand zoals zijzelf, klein en in dat lastige Nederlands, op zou staan en zou zeggen: IK BESTA en ik wil ook meedoen! Ik wil ook een held zijn, en ik wil mezelf terug zien in illustraties, met hoofddoekje en al.

Ik heb hard geprobeerd om een sponsor te vinden om dit boekje uitgegeven te krijgen, maar ik loop tegen dichte deuren aan. Ik ben er ook niet zo goed in en ik heb er geen tijd voor. Ik ben aan het voorlezen, aan het vertellen, aan het praten met kinderen zoals Ouahiba.

Maar mocht iemand nou zo iemand kennen die een excessief dure handtas in de PC Hooftstraat wil gaan kopen of iets dergelijks, misschien wel om opgemerkt, of bewonderd te worden – stuur die persoon dan naar mij. Loop met de boekjes van Ouahiba in een plastic tas van de ETOS een school binnen en er zal een gejuich op gaan, ogen zullen glimmen, handjes zullen je aanraken en kinderstemmen je bedanken.

Is er iemand die Ouahiba haar stem kan en wil geven?

En volgend jaar graag het afsluitingsfeest van De Schoolschrijver in de powerpoint, CPNB.

 

groep 7 stoer op klompen

Cool op klompen (groep 7).

Vandaag zou ik, naast mijn vaste klassen, ook de groepen 3B en 3C bezoeken op basisschool El Kadisia in Amsterdam, waar ik werk als schoolschrijver. Ik nam een boek mee in lentesfeer: Het grote voorleesboek van de kinderboerderij (uitg. Leopold) waarin o.a. een verhaaltje staat over twee kinderen die voor het eerst op klompen lopen, wat niet meevalt. Ik was van plan wat taalspelletjes uit het boek met de kinderen te spelen, en om o.a. voor te lezen over die klompjes en ja… Terwijl ik gisterenavond thuis nadacht over wat ik zou gaan voorlezen en me probeerde in te leven in de belevingswereld van de kinderen van El Kadisia, viel mijn oog op de klompen die overal in mijn huis staan, in alle maten. Zou ik die groepen 3 eens lekker aan het giechelen maken en op mijn klompen naar de school toe gaan? Zo het schoolplein vol vaders en moeders op banjeren, en naar binnen de klassen langs, alsof ik er dagelijks zo bij loop? Ik nam in elk geval de kleine klompjes mee die mijn zoons vroeger droegen zodat de kinderen uit groep 3 konden proberen erop te lopen.

De volgende ochtend gooide ik toch nog snel mijn eigen versleten tuinklompen op de achterbank van mijn auto. Maar eenmaal bij de school durfde ik ze niet aan te trekken. Het was enorm druk. De stoepen en straat waren vol, meest van top tot teen gesluierde vrouwen, die hun kinderen naar school toe brachten. Moest ik daar doorheen klossen op die grote dingen? Laf nam ik alleen de kleine klompjes mee naar binnen. Toen ik de juf van groep 3 vertelde dat ik van plan was geweest zelf op klompen te komen, vond ze dat nu juist fantastisch. “Doen!” riep ze enthousiast. “Ga halen, die dingen! De meeste kinderen hebben hier nog nooit echte klompen gezien.”

Aangemoedigd door de juf stak ik in de lunchpauze de straat over naar mijn auto en trok mijn klompen aan. Veel van de kinderen speelden buiten op het plein. Toen ik terug kwam van mijn auto kwamen ze met grote ogen aangerend en verdrongen ze elkaar om me te zien. Overmoedig deed ik een klompendans terwijl ik “Timpe tampe tompen, Selma loopt op klompen” zong, en van die combinatie zo buiten adem raakte dat ik bijna mijn nek brak. Hijgend ging ik de school binnen, waar de bebaarde godsdienstleraar in zijn djellaba het een goeie mop vond en een aantal van de andere leerkrachten, netjes opgevoed, probeerden niet te staren terwijl ze zich zichtbaar afvroegen of dit een grap was, of een cultuuruiting die respect verdiende? In de groepen drie hoefde ik niets te doen om de volle aandacht van de kinderen te krijgen, die werd me vanzelf al gegeven. Terwijl een aantal kinderen de kleine klompjes uitprobeerden ging ik met hen aan de gang. Een koe… bloeit?  Nee, lieverd, hij l-oeit. Een schaap blaat en een geit mekkert. Wat zijn er veel woorden, en wat kennen de meeste kinderen er nog weinig.

Na afloop van de dag kloste ik de school uit, tussen enkele tientallen moeders door, die op muurtjes in de zon met elkaar zaten te praten terwijl ze hun kinderen bij de speeltoestellen in de gaten hielden. Meteen werd ik achterna gezeten door roepende en juichende kinderen, die me omhelsden, mijn handen pakten en smeekten of ik de klompendans weer wilde doen. Ze begonnen al voor me te zingen “Timpe tampe tompen…”. Maar mijn energie was op en ik hield het bij lachen, zwaaien en grapjes maken, terwijl de moeders elkaar subtiel aanstootten en verwonderd glimlachend op mijn klompen wezen. Het lukte om me te bevrijden uit de armen van de kinderen en van het plein af te klossen.

Ze zwaaiden me na, trots roepend: ‘Mama, mama! Kijk! Daar gaat ze! Dat is nou Selma Noort, onze schoolschrijfster!’

kleintjes op klompjes

En het liefste jongetje van groep 3…

IMG_1317IMG_1318IBBY* vriendenmiddag, 11 april 2014, Den Haag.
“Blijf nog even zitten, Miep! Even een selfie maken.”
(Miep Diekmann, 89 jaar oud, zeer slechtziend, 35 jaar geleden mijn schrijfmentor en nog steeds betrokken bij mijn leven en werk).
‘Wat is dat, kind, een selfie?’
“Met mijn eigen toestel, zodat we er samen op staan.”
“O, allright.”
Miep gaat ervoor zitten. “Kijk ik de goeie kant uit? Zit ik zo goed? Heb je ‘m nou al gemaakt?”
“Ja, gelukt.”
Miep grinnikt om zich heen. “Dat kind ook altijd.” En dan bedrijvig: “Help me even overeind, Selma. Heb je m’n stok, m’n tas, m’n mantel?”
“Ja, Miep.”
Miep in taxi, klein op de voorbank. Nog twee dikke kussen door het raam op haar zachte wang. “Dag lieve Miep.”
“Dag kind, dag hoor. De groetjes aan je mannen!”

*International Board for Books for Young People.

Kleuterleidsters, juffen en ik zijn het er over eens: er zijn te weinig liedjes over “de winter”. Bij het schrijven van “Het grote voorleesboek van de winter” (uitg. Leopold, 4 t/m 8 jaar) ondervond ik dat weer eens. Tja, en wat doe je dan? Dan schrijf je er zelf een, met lekker veel actie/gebaren erbij. Omdat ik het niet kan gaan voorzingen op alle scholen, heb ik het op de wijs van een bekend liedje (Herfst, herfst, wat heb je te koop…) geschreven.

Het is dikke pret als ik op een basisschool kom, om na het voorlezen en vertellen dan dit lied met de kinderen te zingen. Compleet met alles erop en eraan. Als je wilt zien hoe ik dat doe, nodig me dan uit om op je school of in de bieb te komen voorlezen, en …zingen. De hoge C haal ik niet, maar de kinderen hebben gegarandeerd lol! En als ik weer wegga, kunnen alle meesters en juffen het lied verder zingen met de kinderen. Elke winter weer…

Omdat het eerste couplet (onder de muzieknoten) een beetje moeilijk te lezen is, staat de tekst daarvan nog eens hieronder. Veel plezier!

winterlied

Winter, winter, wat heb je te koop? Uit: “Het grote voorleesboek van de winter”, Selma Noort, Uitgeverij Leopold, Illustraties: Tineke van der Stelt.

1e couplet:

Winter, winter, wat heb je te koop?
Duizend dikke sneeuwvlokken op een hoop.
Krakende vorst. Boerenkool met worst.
Warme chocolademelk voor de dorst!

LangeraarBoekhandel Haasbeek Herenhof uit Alphen aan den Rijn en ik hebben elkaar vandaag geadopteerd. Al vaker organiseerde deze mooie kantoor/boekhandel activiteiten waar ik voor gevraagd werd. Vanmorgen was ik – nog in verband met de Nationale Voorleesdagen – met deze boekhandel en verschillende vertegenwoordigers van de plaatselijke krantjes op een razend enthousiaste basisschool, basisschool Aeresteijn in Langeraar. Daar heb ik voorgelezen aan en gezongen met drie grote groepen, en daarna, tot mijn niet geringe verbazing, was ik ruim drie kwartier aan de lopende band bezig met signeren en had de boekhandel een pracht verkoop. In deze moeilijke tijd voor boekhandel en (kinderboeken)schrijvers lag de volgende stap eigenlijk gewoon voor de hand – ik stelde voor dat ik de boekhandel zou adopteren door me extra voor hen in te zetten door middel van deelname aan hun activiteiten, signeren en/of voorlezen. De boekhandel op haar beurt, wilde mij ook wel adopteren, mijn boeken goed in voorraad nemen en die activiteiten organiseren.

Proost dus! Op een fijne samenwerking in de toekomst, boekhandel Haasbeek Herenhof!

En basisschool Aeresteijn – tot ziens!

Volg

Ontvang elk nieuw bericht direct in je inbox.

Doe mee met 1.609 andere volgers

%d bloggers op de volgende wijze: